te helpen en haar af te spoelen met
koud water. Een ambulance bracht
haar met spoed naar een nabijgelegen
ziekenhuis en ze werd vervolgens
overgebracht naar het Brigham and
Women’s Hospital in Boston, op twee
uur rijden.
Ze was blind, mishandeld en vreselijk verminkt, maar ze leefde nog.
VOOR KESS, JOAN en Donny op bezoek konden bij Carmen in haar kamer op de IC van het brandwondencentrum, moesten ze schorten, haarnetjes, mondkapjes en handschoenen
aan. Brandwondenslachtoffers zijn
bijzonder kwetsbaar voor infecties
omdat de huid hen daar niet langer
tegen beschermt. Van de patiënten die
brandwonden aanvankelijk overleven,
sterft ongeveer de helft tot driekwart
alsnog aan infecties. Als extra voorzorgsmaatregel was de kamer van
Carmen, net als sommige andere in
het brandwondencentrum van het ziekenhuis, onder druk gezet om het binnendringen van ziektekiemen van
buitenaf te minimaliseren.
Carmens artsenteam had de familie
uitgelegd dat ze in een kunstmatig
coma was gebracht. Ze kon tot vier
maanden in coma gehouden worden
en ondertussen huidtransplantaties en
andere operaties ondergaan. Haar artsen hadden de dosis van de verdoving
echter tijdelijk verlaagd in de hoop dat
ze misschien in staat was te reageren
op het familiebezoek.
Kess liep Carmens kamer binnen,
gevolgd door haar moeder en haar
broer. Ze zagen een kleine vrouw in
124
een ziekenhuisbed. Ze had een tracheotomie en een buisje in haar keel.
Ze lag aan een beademingsapparaat
en zat vast aan een machine met knipperende en snorrende hightech monitoren. Ze was als een mummie volledig in wit verband gewikkeld, behalve haar vreselijk gezwollen gezicht
en haar handen. Haar gezicht was zo
verminkt en zwartgeblakerd dat het
onherkenbaar was. Het was alsof het
gevild was.
Joan was geschokt, maar ook in de
war. Ze zei tegen Donny: ‘Dit is Carmen niet.’ We zijn in de verkeerde
kamer, dacht ze. Waar is Carmen?
Pas toen Kess Carmens handen herkende die niet verbrand waren, en
haar scheve voortand, besefte ze dat
dit haar zusje was. Ze was compleet
van haar stuk gebracht.
Kess haalde diep adem, liep naar de
rechterkant van het bed en nam voorzichtig Carmens linkerhand in de hare.
Toen boog ze en fuisterde in het ene
overgebleven oor: ‘Carmen, wij zijn
het, Kess, mama en Donny.’ Ze zweeg
even en voegde toe: ‘Wij zijn er voor
je.’
Kess voelde dat haar zus haar hand
pakte en zag dat haar benen bewogen.
Ze knipperde haar tranen weg en keek
naar haar moeder en broer die nu ook
met Carmen praatten.
Op wat voor manier dan ook, dacht
ze, terwijl ze Carmens hand nog steviger vasthield, we komen hier doorheen.
ZO bEgON KESS haar zus te zien wanneer ze naar haar keek, in het ziekenReader ’s Digest 03 /14