Reader's Digest / Het Beste maart 2014 | Page 126

te helpen en haar af te spoelen met koud water. Een ambulance bracht haar met spoed naar een nabijgelegen ziekenhuis en ze werd vervolgens overgebracht naar het Brigham and Women’s Hospital in Boston, op twee uur rijden. Ze was blind, mishandeld en vreselijk verminkt, maar ze leefde nog. VOOR KESS, JOAN en Donny op bezoek konden bij Carmen in haar kamer op de IC van het brandwondencentrum, moesten ze schorten, haarnetjes, mondkapjes en handschoenen aan. Brandwondenslachtoffers zijn bijzonder kwetsbaar voor infecties omdat de huid hen daar niet langer tegen beschermt. Van de patiënten die brandwonden aanvankelijk overleven, sterft ongeveer de helft tot driekwart alsnog aan infecties. Als extra voorzorgsmaatregel was de kamer van Carmen, net als sommige andere in het brandwondencentrum van het ziekenhuis, onder druk gezet om het binnendringen van ziektekiemen van buitenaf te minimaliseren. Carmens artsenteam had de familie uitgelegd dat ze in een kunstmatig coma was gebracht. Ze kon tot vier maanden in coma gehouden worden en ondertussen huidtransplantaties en andere operaties ondergaan. Haar artsen hadden de dosis van de verdoving echter tijdelijk verlaagd in de hoop dat ze misschien in staat was te reageren op het familiebezoek. Kess liep Carmens kamer binnen, gevolgd door haar moeder en haar broer. Ze zagen een kleine vrouw in 124 een ziekenhuisbed. Ze had een tracheotomie en een buisje in haar keel. Ze lag aan een beademingsapparaat en zat vast aan een machine met knipperende en snorrende hightech monitoren. Ze was als een mummie volledig in wit verband gewikkeld, behalve haar vreselijk gezwollen gezicht en haar handen. Haar gezicht was zo verminkt en zwartgeblakerd dat het onherkenbaar was. Het was alsof het gevild was. Joan was geschokt, maar ook in de war. Ze zei tegen Donny: ‘Dit is Carmen niet.’ We zijn in de verkeerde kamer, dacht ze. Waar is Carmen? Pas toen Kess Carmens handen herkende die niet verbrand waren, en haar scheve voortand, besefte ze dat dit haar zusje was. Ze was compleet van haar stuk gebracht. Kess haalde diep adem, liep naar de rechterkant van het bed en nam voorzichtig Carmens linkerhand in de hare. Toen boog ze en fuisterde in het ene overgebleven oor: ‘Carmen, wij zijn het, Kess, mama en Donny.’ Ze zweeg even en voegde toe: ‘Wij zijn er voor je.’ Kess voelde dat haar zus haar hand pakte en zag dat haar benen bewogen. Ze knipperde haar tranen weg en keek naar haar moeder en broer die nu ook met Carmen praatten. Op wat voor manier dan ook, dacht ze, terwijl ze Carmens hand nog steviger vasthield, we komen hier doorheen. ZO bEgON KESS haar zus te zien wanneer ze naar haar keek, in het ziekenReader ’s Digest 03 /14