[6 Maart 1867. 5e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 55
strooken ter verkrijging van het fatsoen voor den grond aan de hoeken dicht te zamen komen. Dan naait men tegen het band een dik ijzerdraad, dat overeen-
komstig den vorm van het mandje (zie de afb.) gebogen moet worden, hecht het satijn voor de binnenzijde van het mandje bestemd tegen het band en bedekt het aldaar met eene strook leder van 5 d. breedte, die aan eene zijde, namelijk die op het satijn ligt met kleine bogen is uitgetand, aan de andere, de naar buiten komende zijde, door gelijkmatige insnijdingen van 1½ d. lengte tot eene franje wordt gevormd. Het bevestigen van deze strook geschiedt door voorsteken, die op de rechte zijde van het leder zoo weinig mogelijk zichtbaar moeten wezen. Het hengsel ― volgens ons model 40 d. lang ― wordt volgens de afbeelding uit 3 strooken leder elk 1 d. breed en van overeenkomende lengte gevlochten, die men aan eene lange zijde een weinig naar de verkeerde zijde ombuigt en er aldaar een dun oversponnen ijzerdraad inlegt, daarna met dik garen aan den rand van het mandje bevestigt. De bloemen en bladeren ter versiering van het mandje worden door de afb. No. 12―15 voorgesteld. Ter vervaardiging hiervan moet het leder insgelijks vochtig gemaakt worden. Voor elke fuchsiabloem (afb. No. 12) maakt men eerst het binnenste gedeelte naar afb. No. 13, echter
met bijvoeging van een eind van vereischte lengte voor den steel, dan naar afb. No. 14
de bladeren van de bloem; daarna rolt men het gedeelte voor de meeldraden te zamen, maakt door middel van eene breinaald de rib-
ben in het bladgedeelte, en woelt het om de meeldraden. Ook in de overige bladeren (het loof), die naar afb. No. 15, evenwel in ver-
schillende grootte en met een langeren of korteren steel gesneden worden, maakt men de aderen ook door mid-
del van eene breinaald in. De ranken vormt men uit zeer smalle strookjes leder, van 6―8 d. lengte, die
spiraalvormig om eene naald gewonden en alzoo gekruld worden. De voltooide
bloemen en bladeren worden volgens de afbeelding met dik garen aan het
hengsel genaaid.
Kam met een garnituur van fluweelen lint.
Afbeelding No. 16.
Dit garnituur bestaat uit een strik met twee afhangende einden elk 60 d.
lang van rood fluweelen lint 2½ d. breed, dat op het schild van een chignon-
kam gehecht, ook zeer geschikt is om een eenvoudigen meer leelijk geworden
kam een fraai aanzien te geven. Bij het vervaardigen van zulk een garnituur windt men eerst twee einden lint elk 20 d. lang zoodanig om het schild van den kam, dat het geheel bedekt is, en de einden in het midden aan elkaar komen, waar zij met eenige steken aaneen worden genaaid, de omwindingen van het lint worden aan de verkeerde zijde mede aaneen gehecht. Men naait volgens de af-beelding op het schild aldus bekleed, een strik uit vier lussen bestaande, waar-
van het midden met een gitten gesp is versierd. Onder het schild van den kam
hecht men twee einden van hetzelfde lint elk 60 d. lang.
Blouse voor meisjes van 8―10 jaar.
Afb. No. 17. Knippatr., voorz. v. h. Supplem.
No. III, Fig. 12―16.
Deze blouse van rood cachemir vervaardigd, is op eenvoudige wijze met opgezette strepen van de-zelfde stof en zwart wollen veterband gegarneerd. Bij het namaken knipt men naar fig. 12 twee ge-deelten, naar elk der fig. 13, 14 en 16 een ge-deelte in het midden aaneen, fig. 14 en 16 boven-dien van dubbele stof en eindelijk naar fig. 15 de mouwen. Als de voorstukken volgens de afbeelding en de gedeeltelijke aanwijzing op de knippatronen, met reepen der stof en veterband zijn gegarneerd, verder aan den voorrand met knoopen en knoops-gaten voorzien, dan zet men den rug en de voor-stukken van 21 tot 22 en van 23 tot 24 met een dubbelen naad aan elkaar, en legt in den onderrand
van de blouse een smal zoompje. Aan het uitsnijdsel van den hals wordt de blouse tusschen de dubbele stof
van een staand kraagje gezet, van cachemir geknipt, met stijf gaas er tusschen gevoerd en met veterband gegarneerd. Op dezelfde wijze zet men de manchette fig. 16 aan den onderrand van de mouw. Deze wordt vervolgens zóó dat 29 op 29 van het voorstuk sluit, in het
armsgat genaaid.
Jaquette voor
meisjes van 2―4
jaar.
Afb. No. 18. Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No.
IV, Fig. 17―20.
Dit jaquetje van blauw cotton-silk is met wit lustrine gevoerd; het gar-nituur wordt gevormd
door krijtwitte kralen, die gedeeltelijk doorloopend, gedeeltelijk met een grieksch patroon op de bovenstof zijn genaaid. Bij het ver-
vaardigen van het jaquetje knipt men uit de genoemde bovenstof en
voering naar fig. 17 twee gedeelten, naar elk der fig. 18 en 19 een
gedeelte langs het midden aaneen, naar fig. 20 de mouw, waarbij men op de lijn voor het uitsnijden van de onderste helft moet letten. Eerst teekent men volgens de afbeelding en de gedeeltelijke aanwijzing op de knippatronen het patroon op de bovenstof over, naait er de kralen op en rijgt daarna de gedeelten bovenstof op de voering. Nu worden de voorstukken en
de rug volgens de overeenstemmende cij-
fers aan elkaar gezet. langs den buiten-
rand, behalve om het uitsnijdsel van den hals, wordt de voering tegen de bovenstof genaaid; aan het uitsnijdsel van den hals zet men het jaquetje volgens de overeen-
stemmende cijfers tusschen de dubbele stof van een kraagje, uit bovenstof en voering vervaardigd en met kralen ver-
sierd. De mouw naar fig. 20 geknipt, wordt zoodanig in het
armsgat gevoegd, dat zij met 40 op hetzelfde cijfer van het voor-
stuk sluit.
van den rug van achteren in het midden aan elkaar, verbindt daarna fig. 31 en 33 van 4 tot 5 en van 4 tot 2, fig. 33 en 32 van 2 tot 3 en fig. 32 en 31 van
8 tot 9 en van 1 tot 2 met een dichten achtersteeknaad. Bij het uitvoeren van
den naad van 4 tot 3, moet men den schoot, omdat deze iets wijder is een weinig inhalen. De beide helften van den kraag worden van achteren in het midden met elkaar verbonden, de stof langs den buitenrand tegen elkaar genaaid, en daarna de kraag volgens de overeenstemmende cijfers op den chambercloak gezet; ver-volgens legt men volgens de afbeelding en de gedeeltelijke aanwijzing op de knip-patronen het veterband op het linker voorstuk en rondom den onderrand van den chambercloak, en naait er dan het koord om. Men naait elke mouw van 11 tot 12 toe, garneert haar volgens de afbeelding en zet tegen den rand van onde-
ren aan de binnenzijde een reep taf 5 d. breed. De aldus voltooide mouw wordt met 11 op 11 in het armsgat gezet. Eindelijk naait men naar aanwijzing op fig.
31, aan den voorrand van het linker voorstuk de koordlussen elk 2½ d. lang.
Gehaakte zeshoek voor bed- en wiegedekens.
Afb. No. 10. Brei-
katoen tusschen beide van grofte.
Het model van
de afbeelding, eene
zeshoekige figuur
voor bed- of wiege-
dekens, is met brei-
katoen tusschen beide van grofte met vaste steken gehaakt; het pa-
troon, dat zich op elk puntvormig gedeelte van den zeshoek vertoont, is van dubbele stokjes gevormd, die elk 2 toeren van den fond over-spannen. Men be-gint den zeshoek in het midden met een opzetsel van 6 steken, sluit deze tot eene ronding
en haakt den
1. toer. * 2 kett.,
dan 2 v. st. in den volgenden steek van het opzetsel. Van * af nog 5 maal herha-
len. ― 2. toer. * 3 kett., 2 v. st. op de beide volgende v. st. (de vaste steken
worden doorgaande om den geheelen steek, dat is om de beide lussen van den
steek gewerkt), van * af nog 5 maal herhalen. ― 3. toer. * 3 kett., 1 st.,
(stokje), alle stokjes, die, zooals de afb. aantoont, elk puntvormig gedeelte
van elkander scheiden, worden gedurig om de beide er zich onder bevin-
dende kettingsteekbogen van de beide laatste toeren gehaakt, 2 v. st. op de beide volgende steken, 1 st. insgelijks m de beide kettingsteekbogen van de beide laatste toeren. Van * af nog 5 maal herhalen. ― 4. toer. * 3 kett., 4 v. st. om de 4 volgende steken. Van * af nog 5 maal herhalen. ― 5. toer.
* 3 kett., 1 st., 1 v. st. in den volgenden steek, 2 dubb. st. Bij de uitvoe-
ring van dit dubb. st. steekt men na tweemaal omslaan niet als gewoonlijk in een steek van den vorigen toer, maar men slaat 2 toeren over en steekt in een van de bovenopliggende loodrechte lussen van den steek van den der-den volgenden toer (hier de tweede toer van het begin van het werk), 1 v. st., 1 st. Van * af nog 5 maal herhalen. ― 6. toer. * 3 kett., 6 v. st. op de
6 volgende steken. Van * af nog 5 maal herhalen. ― 7. toer. * 3 kett., 1
st., 6 v. st. op de 6 volgende steken, 1 st. Van * af nog 5 maal herhalen. ― 8. toer. * 3 kett., 1 v. st. op het volgende st., 2 dubb. st. in de stekenlussen van den 5. Toer, die in eene rechte richting er on-
der liggen, 2 v. st. op de beide volgende steken, 2
dubb. st. in de naastaanzijnde stekenlussen van den 5. toer, 1 v. st. in den volgenden steek. Van * af nog 5 maal herhalen. ― 9. toer. * 3 kett., 1 st., 3 v.
st. in de 3 volgende steken, 2 dubb. st. in de naast-
aanzijnde stekenlussen van den 6. toer, 3 v. st., 1 st. Van * af nog 5 maal herhalen. De verdere voort-
zetting van het patroon zal met behulp van de af-
beelding en het aldus verkregene werk gemakkelijk kunnen worden voortgezet. De puntvormige ge-
deelten worden even als tot hiertoe in elken 2. toer door de 2 st. verbreed. Met den 14. toer begint de herhaling van het patroon, bovendien haakt men in dezen, alsook in den 16. en 18. toer, waarmede
het patroon sluit, in den eersten en laatsten v. st. van elke punt telkens 2 v. st., zoodat elke punt in den 19.
laatsten toer van den fond 26 steken telt. ― 20. toer. In elken kett.-
boog van den 19. toer 2 st. door 4 kett. gescheiden, gedurig 3 steken er tusschen overslaan, 2 st. door 2 kett. gescheiden in 1 v. st. van den 19. toer. ― 21. toer. Vaste steken. ― 22. toer. Afwisselend 4 v. st., 1
picot. Laatgenoemde bestaat telkens uit 3 kett., 1 h. v. st.
in den laatsten v. st. Bij het aan elkander zetten van de rui-ten naait men ze telkens aan de twee tegenover elkander staan-
de picots te zamen.
Mandje van leder.
Afb. No. 11―15. De helft
van eene bereide schapenhuid,
van eene lichte, gelijkmatige
kleur, lilas satijn, dik ijzerdraad, wit linnen band 2 d. breed.
De inrichting van dit mandje is nieuw en heeft iets eigendomme-
lijks; het bestaat uit een vlak gewelfden grond van lederen strooken gevlochten, die op de binnenzijde met lilas satijn be-
kleed is. Het hengsel insgelijks van stroo-ken leder gevlochten, wordt aan de einden met bloemen en bladeren van leder ver-
sierd. Vóór het gebruik moet het leder in water gelegd en geheel doorweekt worden, waarna men het tusschen 2 doeken een
weinig uitdrukt en dan nog vochtig zijnde verwerkt. Ter vervaardiging van het model knipt men eerst voor den grond 20 strooken leder van 25 d., en 23 van 21 d. lengte, elke strook ½ d. breed, naait op ongeveer ½ d. afstand van elkan-der de eersten elk met een einde aan een linnen band 21 d. lang, de laatstgenoemde strooken op gelijke wijze aan een linnen band van 25 d. lengte, vlecht dan deze
strooken en bevestigt ze elk met het tegenovergestelde einde aan 2 andere linnen banden. Alle 4 de banden worden aan de einden te za-
men genaaid en aldaar eenige plooien er in gelegd, zoodat de lederen
No. 24.
No. 20―29. Verschillende patronen voor open naaisels.
No. 25.
No. 23.
No. 26.
No. 27.
No. 28.
No. 29.
No. 20.
No. 21.
No. 22.
No. 17. Blouse voor meis-
jes van 8―10 jaar.
Knippatr. voorz. v. h.
Suppl. No. III, fig. 12―16.
No. 18. Jaquette voor meisjes van 2―4 jaar.
Knippatr. voorz. v. h. Supplem. No. IV, fig. 17―20.
No. 19. Beduïne voor dames.
Knippatr. voorz. v. h. Supplem. No. XII, fig. 59.
No. 16.
Kam met
een garnituur
van fluweelen
lint. Helft van
de oorspr. grootte.