De Gracieuse 6 March 1867 | Page 4

56 DE GRACIEUSE. [6 Maart 1867. 5e Jaargang.]

tijen verdeeld, men kamt elke partij ― de middelste moet sterk gegolfd zijn, ― over een crêpé naar boven, steekt ze met lange haarnaalden volgens de afbeelding vast, en maakt van de onderste gedeelten, ― de einden van deze partijen haar, ― lange krullen, die gedeeltelijk achter het oor, gedeel-

telijk aan de zijden van den chignon afhangen. Bij het kappen van deze voorste partijen moet men volgens de afbeeldingen twee smalle gekleurd taffen linten door het haar winden; zij sluiten aan de rechter zijde aaneen, en worden aldaar met een touffe rozen en een strik van breed lint met lange

einden voltooid.

Fichu voor jonge meisjes.

Afb. No. 67 en 68. Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No. V, Fig. 21 en 22.

Het fatsoen van deze fichu is zeer ongemeen. Elk der voorstukken loopt namelijk in twee patten uit; de voorste worden kruiselings over elkaar ge-

legd, de zijpatten echter, waar zich eene écharpe aansluit, van ach-

teren in het midden volgens de afbeelding vastgemaakt. Ons model

is vervaardigd van fijn neteldoek, het garnituur bestaat uit zwarte en

witte kant van verschillende breedte en uit smal kralengalon. Bij

het vervaardigen van de fichu knipt men uit neteldoek naar fig.

22 een gedeelte langs het midden aaneen, naar fig. 21 twee ge-

deelten, en zet den rug en de voorstukken op den schouder aan

elkaar. Als de fichu in de rondte is gezoomd, dan zet men eerst

om het uitsnijdsel van den hals en om den buitenrand van de voor-

stukken tot aan de onderste hoeken van de zijpatten, een zwarte kant 3 d. breed en langs het overige gedeelte van den buitenrand een soortgelijke kant 5 d. breed; over deze beide kanten hecht men een witte kant 3 d. breed, die er zoodanig wordt opgezet, dat zij on-

geveer op de helft van de breedte over de andere kant ligt. Het aanzetten wordt bedekt met smal kralengalon. De écharpes die zich aan de zijpatten aansluiten, zijn 94 d. lang; zij bestaan elk uit

een eind kant 200 d. lang en 5 d. breed, zij worden van het mid--

den uit naar waarszijden ongeveer 5 d. lang ingerimpeld en dan

met de rechte randen tegen elkaar gekeerd, aaneen genaaid. Men verbindt op dezelfde wijze voor elke écharpe een stuk witte kant

190 d. lang 3 d. breed, en bedekt daarmede den middelsten naad

van de zwarte échar-

pe, die van de witte kant wordt echter ver-

borgen onder een kra-

len-galon.

Beduïne voor dames.

Afb. No. 19. Knippatr., keerz. van het Supplem. No. XII, Fig. 59.

Dit model van wit elastine, is rondom den buitenrand en aan beide zijden tot van achteren in het midden, aldaar met 1 d. tusschenruimte, met blauw fluweelen lint gegarneerd, tusschen dit garnituur van achteren in het mid-den daarenboven met blauw zijden kwasten. Voor deze beduïne heeft men een lap stof noodig 270 d. lang (bovenrand van de beduïne), en 100 d. breed (lengte van de beduïne). Fig. 59 geeft de helft van het fatsoen, echter tot op een zestiende verkleind. Als men het knippatroon tot op de noodige maat heeft vergroot, dan legt men het met de middellijn ― van achteren het midden van de beduïne ― recht langs den draad op de toegevouwen stof, en knipt dan de beduïne uit één stuk. Nu zoomt men den afgeknipten rand 1 d. breed naar de rechter zijde om, en bedekt den zoom met een fluweelen lint 3 d. breed, dat er volgens de afbeelding en onze vroegere aanwijzing op wordt genaaid. Eindelijk moet men den mantel tot dusver vervaardigd, aan den

bovenrand van het midden af tot kruis aan elkaar naaien, er volgens

afbeelding No. 19 de kwasten, en van voren op de juiste plaats twee

blauw taffen linten, om de beduïne te kunnen dichtmaken, aanzetten.

Verschillende opennaaisels.

Afbeelding No. 20―29.

De patronen door genoemde afbeeldingen gegeven, kunnen op ver-

schillende wijzen gebezigd worden. In linnen tusschen beide van grofte b. v. kan men een of ander patroon tot kleinere of grootere figuren, als ruiten, zes- of achthoeken voortzetten en zoodanige met een ander, hetzij met een gehaakt of geborduurd figuur voor een antimacasser of iets der-gelijks te zamen voegen, voorts kunnen de patronen in strepen ook tot versiering van den rand voor thee- of kreeftservetten ― waarvoor ook het zoogenaamde javagaas eene goede stof is ― gewerkt, eindelijk, in fijn linnen of neteldoek als tusschenzetsel of afzonderlijke figuren uitge-voerd, ter versiering van lingeriën gebezigd worden. Ter vervaardiging van de opennaaisels worden eerst zooals reeds bekend is in genoemde stof een aantal draden, die voor het patroon bestemd zijn, op bepaalde afstanden uitgehaald en de overgebleven draden op verschillende wijzen met gedraaid garen omgenaaid. De genoemde afbeeldingen, waarvan de draden elk aan den ondersten hoek aan de rechter zijde nog onbewerkt, dat is niet omgedraaid zijn, stellen het patroon duidelijk en begrijpelijk

genoeg voor, zoodat wij alle verdere verklaringen wat de uitvoering betreft gemakkelijk achterwege kunnen laten; wij merken slechts aan, dat de draad waarmede men werkt zoo onzichtbaar mogelijk van het eene figuur van het pa-troon tot het andere, op de verkeerde zijde van de stof moet worden doorgesto-

ken.

No. 32. Coiffure “Solennité.” Voorzijde.

No. 34. Jaquette “Bolero.”

Knippatr. keerz. v. h. Supplem. No. IX, Fig. 37―41.

No. 31. Coiffure “Romaine.” Op zijde gezien.

No. 33. Coiffure “Solennité.” Op zijde gezien.

No. 30. Coiffure “Romaine.” Voorzijde.

No. 35. Laag uitgesneden taille voor dames.

Knippatr. keerz. v. h. Supplem. No. XI, Fig. 53―58.

Twee coiffuren (haarkapsels).

Afbeelding No. 30―33.

Afb. No. 30 en 31. Coiffureromaine.” Hoewel deze coif-

fure zeer kunstig schijnt samengesteld te zijn, zoo kan zij toch ge-

makkelijk worden uitgevoerd, terwijl al het haar, uitgenomen een gedeelte aan elke zijde, volgens de afbeelding met kortere en langere krullen wordt gekapt; hiertoe moet men natuurlijk tamelijk dik haar hebben. Het overgebleven haar aan de zijden wordt naar boven ge-rold, waarbij men met de punt begint, en dan vastgestoken. Deze lieve coiffure wordt voltooid met een tak witte windekelken. Mocht het eigen haar niet voldoende zijn, dan kan men een kunstig ver-

vaardigden krullenchignon, en een krans van krullen, een zooge-

naamde touffe Fontange nemen. Het eigen haar wordt in dat geval ― uitgenomen het gedeelte aan de slapen, dat eerst los blijft, à la chinois naar boven gekamd en in twee partijen gevlochten, die om het hoofd worden gelegd. Nu rolt men het los gebleven haar over de vlechten, van de slapen af naar boven, steekt de einden vast, en bevestigt daarna volgens de afbeelding de kunstig vervaardigde

touren.

Afb. No. 32 en 33. CoiffureSo-

lennité.” Voor deze coiffure heeft men drie kunstig vervaardigde krullentouffen (bouquets de frisure) noodig, waar-

van de eene met korte krullen over het voor-hoofd, de twee andere met langere krullen maar onder den chignon, aan de rechter zijde worden vastgestoken. Eerst wordt het grootste gedeelte van het achterhaar op de hoogte van het oor gebonden, daarna be-

vestigt men een van de touffen met de lang-ste krullen onder de omwonden plaats, en schikt daarop den chignon, door het ach-

terhaar over een dikke crêpé naar boven te rollen, met een kammetje op het hoofd vast te steken en de einden onder de crêpé te ver-bergen. Nu wordt het voorhaar in drie par-