De Gracieuse 4 April 1866 | Page 6

krijgt mede naar aanwijzing op het

knippatroon aan den bovensten

hoek een knoopsgat, verder aan

de binnenzijde de patte Fig. 43

met een ingeregen koordje

geboord en met een knoops-

gat voorzien; deze wordt

er van kruis tot punt op-

genaaid; men zet de

knoopen op de daartoe

aangewezen plaatsen op

het rechter voorstuk.

De rug en de panden

worden van 1 tot 2,

de aldus verlengde rug

en de voorstukken

daarna op den schouder

van 4 tot 5, aan de zij-

kanten van 3 tot 2 en

van 2 tot aan den rand

van onderen met elkaar

verbonden. De kraag met

den gewatteerden en door-

gestikten reep taf versierd,

wordt aan het uitsnijdsel van

den hals met 6 op 6 en 7 op 7

op den chambercloak gezet,

men hecht er de wollen stof op

de rechterzijde met achterste-

ken, de taf aan den binnenkant

met zoomsteken op. Men naait

de mouw van 8 tot 9 toe, boort

den onderrand, en zet haar den met

8 op hetzelfde cijfer in het voorstuk,

waarbij de mouw van ster tot 3 een

weinig wordt ingerimpeld. Eindelijk

wordt op den naad waarmede de rug met

de panden verbonden is, in het midden een

koord 200 d. lang gehecht, men steekt het

koord door twee lussen van de stof van het gar-

nituur, die zooals wij dit hebben voorgeteekend

op de voorstukken zijn gehecht, en versiert het

koord daarna met twee kwasten 8 d. lang. Als men den

chambercloak wil watteeren, dan moet men eerst al de

gedeelten van de bovenstof afzonderlijk aan elkaar naaien,

en er dan de voering langs de naden tegen hechten.

Bloemen van kantsteken (point rond), voor

kapsels en ter garneering van hoeden.

Afbeelding No. 28―34.

Zonder twijfel zal de mededeeling van twee op verschillende wijzen

nagebootste kant, die tegenwoordig in plaats van bloemen ter ver-

siering op hoeden en in het haar gedragen wordt, voor vele onzer lezeres-

sen van groot belang zijn. De door afb. No. 28 verkleind voorgesteld tak

bloemen, bestaat uit afzonderlijke gedeelten onder No. 29 tot 32 in oor-

spronkelijke grootte voorgesteld. De gemakkelijkste, doch ook de minst

degelijke wijze van nabootsing is die op brusselsche tulle. Men teekent de

omtrekken van het patroon nauwkeurig op het papier, legt fijne gewaste

taf, waar het patroon doorheen kan schijnen daarover, en hecht nu de tulle

er op; dan rijgt men de omtrekken als ook de aderen met fijn glansgaren

om en doorstopt de eene helft van het blad met klosgaren No. 150, zooals

74 DE GRACIEUSE. [4 April 1866. 4e Jaargang.]

No. 23. Applicationpatroon voor een rand op een geknoopten grond.

De teekening binnen de kruisfigu-

ren en den cirkel zijn in point-

russe met roode, de ruit tus-

schen de kruisvormige figuren

met den platten steek met

paarse en goudgele zijde uit-

gevoerd.

Afbeelding No. 26.

De gekruist liggende lij-

nen die door den ket-

tingsteek zijn aangewe-

zen, worden met paarse

zijde uitgevoerd. Het

binnenste van de rui-

ten door deze lijnen ge-

vormd, wordt met fi-

guren met den platten

steek met roode en

groene zijde gewerkt.

Van de drie rijen met den

vischgraatsteek gewerkt,

die den rand aan beide zij-

den insluiten is de binnen-

ste met gele, de middelste

met zwarte, de buitenste met

ponceau zijde vervaardigd.

Chambercloak voor

heeren.

Afb. No. 27. Knippatr. keerzijde

van het Supplement No. XIII,

Fig. 38 tot 43.

Deze zeer gemakkelijke huisjas is

in den rug tamelijk nauwsluitend en

uit eene donkerbruine, zachte, dubbele

wollen stof vervaardigd; de voorstukken

zijn even als revers teruggeslagen en te dien

einde aan den voorrand, met goudbruine ge-

watteerde taf, met ruiten doorgestikt gevoerd.

De kleine omhoogstaande kraag is op dezelfde

wijze bewerkt. De jas is in de rondte met een inge-

regen koordje van taf van dezelfde kleur geboord, zij

wordt om de taille dichtgemaakt met een bruin zijden

koord, waarvan de einden met een kwast zijn versierd. Voor

dit model kan men dubbele stof, fluweel, effen gekleurd flanel, ca-

chemir met turksche figuren of iets dergelijks nemen; de beide

laatste stoffen moeten echter met eene dun gewatteerde voering van

eene zijden of dunne wollen stof worden voorzien. Men kan den chamber-

cloak boren met een ingeregen koordje, of anders naar verkiezing een

boordsel van taf van eene wollen stof of van veterband of ook een garnituur

van dik koord, turksch galon of iets dergelijks nemen, de revers en de

kraag kunnen bovendien met fluweel, satijn of eene geruite stof bekleed

worden. Uit de gekozen bovenstof knipt men naar Fig. 38 de beide voor-

stukken met de zijpanden aaneen, waarbij men langs de lijnen met een pijl

geteekend voortknipt totdat men de vereischt wordende lengte voor de huisjas heeft. De rug, de panden en de kraag, (de panden zijn in de geheele lengte gegeven) worden naar Fig. 39, 40 en 41 langs de dunne lijn in het

midden aaneengesneden. Verder knipt men naar Fig. 42 twee gedeelten

en eindelijk naar Fig. 43 een stuk. Eerst maakt men in elk voorstuk eene

insnijding voor het zakje op Fig. 38 op de bestemde plaats door een dub-bele gladde lijn aangegeven, boort het met een ingeregen koordje of met

No. 22. Gehaakte kinderbavette. Helft van de oorspr. grootte.

een reepje taf 1½ d. breed, en zet er dan aan den binnenkant een lap

der stof voor een grooter of kleiner zakje tegen. Op den voorkant van de voorstukken wordt van het uitsnijdsel van den hals af tot aan den

rand van onderen, een reep taf ongeveer 11 d. breed genaaid; men

doorstikt dezen reep eerst met watten op mousseline geregen, zooals

dit gedeeltelijk op Fig. 38 is voorgeteekend; het linker voorstuk