krijgt mede naar aanwijzing op het
knippatroon aan den bovensten
hoek een knoopsgat, verder aan
de binnenzijde de patte Fig. 43
met een ingeregen koordje
geboord en met een knoops-
gat voorzien; deze wordt
er van kruis tot punt op-
genaaid; men zet de
knoopen op de daartoe
aangewezen plaatsen op
het rechter voorstuk.
De rug en de panden
worden van 1 tot 2,
de aldus verlengde rug
en de voorstukken
daarna op den schouder
van 4 tot 5, aan de zij-
kanten van 3 tot 2 en
van 2 tot aan den rand
van onderen met elkaar
verbonden. De kraag met
den gewatteerden en door-
gestikten reep taf versierd,
wordt aan het uitsnijdsel van
den hals met 6 op 6 en 7 op 7
op den chambercloak gezet,
men hecht er de wollen stof op
de rechterzijde met achterste-
ken, de taf aan den binnenkant
met zoomsteken op. Men naait
de mouw van 8 tot 9 toe, boort
den onderrand, en zet haar den met
8 op hetzelfde cijfer in het voorstuk,
waarbij de mouw van ster tot 3 een
weinig wordt ingerimpeld. Eindelijk
wordt op den naad waarmede de rug met
de panden verbonden is, in het midden een
koord 200 d. lang gehecht, men steekt het
koord door twee lussen van de stof van het gar-
nituur, die zooals wij dit hebben voorgeteekend
op de voorstukken zijn gehecht, en versiert het
koord daarna met twee kwasten 8 d. lang. Als men den
chambercloak wil watteeren, dan moet men eerst al de
gedeelten van de bovenstof afzonderlijk aan elkaar naaien,
en er dan de voering langs de naden tegen hechten.
Bloemen van kantsteken (point rond), voor
kapsels en ter garneering van hoeden.
Afbeelding No. 28―34.
Zonder twijfel zal de mededeeling van twee op verschillende wijzen
nagebootste kant, die tegenwoordig in plaats van bloemen ter ver-
siering op hoeden en in het haar gedragen wordt, voor vele onzer lezeres-
sen van groot belang zijn. De door afb. No. 28 verkleind voorgesteld tak
bloemen, bestaat uit afzonderlijke gedeelten onder No. 29 tot 32 in oor-
spronkelijke grootte voorgesteld. De gemakkelijkste, doch ook de minst
degelijke wijze van nabootsing is die op brusselsche tulle. Men teekent de
omtrekken van het patroon nauwkeurig op het papier, legt fijne gewaste
taf, waar het patroon doorheen kan schijnen daarover, en hecht nu de tulle
er op; dan rijgt men de omtrekken als ook de aderen met fijn glansgaren
om en doorstopt de eene helft van het blad met klosgaren No. 150, zooals
74 DE GRACIEUSE. [4 April 1866. 4e Jaargang.]
No. 23. Applicationpatroon voor een rand op een geknoopten grond.
De teekening binnen de kruisfigu-
ren en den cirkel zijn in point-
russe met roode, de ruit tus-
schen de kruisvormige figuren
met den platten steek met
paarse en goudgele zijde uit-
gevoerd.
Afbeelding No. 26.
De gekruist liggende lij-
nen die door den ket-
tingsteek zijn aangewe-
zen, worden met paarse
zijde uitgevoerd. Het
binnenste van de rui-
ten door deze lijnen ge-
vormd, wordt met fi-
guren met den platten
steek met roode en
groene zijde gewerkt.
Van de drie rijen met den
vischgraatsteek gewerkt,
die den rand aan beide zij-
den insluiten is de binnen-
ste met gele, de middelste
met zwarte, de buitenste met
ponceau zijde vervaardigd.
Chambercloak voor
heeren.
Afb. No. 27. Knippatr. keerzijde
van het Supplement No. XIII,
Fig. 38 tot 43.
Deze zeer gemakkelijke huisjas is
in den rug tamelijk nauwsluitend en
uit eene donkerbruine, zachte, dubbele
wollen stof vervaardigd; de voorstukken
zijn even als revers teruggeslagen en te dien
einde aan den voorrand, met goudbruine ge-
watteerde taf, met ruiten doorgestikt gevoerd.
De kleine omhoogstaande kraag is op dezelfde
wijze bewerkt. De jas is in de rondte met een inge-
regen koordje van taf van dezelfde kleur geboord, zij
wordt om de taille dichtgemaakt met een bruin zijden
koord, waarvan de einden met een kwast zijn versierd. Voor
dit model kan men dubbele stof, fluweel, effen gekleurd flanel, ca-
chemir met turksche figuren of iets dergelijks nemen; de beide
laatste stoffen moeten echter met eene dun gewatteerde voering van
eene zijden of dunne wollen stof worden voorzien. Men kan den chamber-
cloak boren met een ingeregen koordje, of anders naar verkiezing een
boordsel van taf van eene wollen stof of van veterband of ook een garnituur
van dik koord, turksch galon of iets dergelijks nemen, de revers en de
kraag kunnen bovendien met fluweel, satijn of eene geruite stof bekleed
worden. Uit de gekozen bovenstof knipt men naar Fig. 38 de beide voor-
stukken met de zijpanden aaneen, waarbij men langs de lijnen met een pijl
geteekend voortknipt totdat men de vereischt wordende lengte voor de huisjas heeft. De rug, de panden en de kraag, (de panden zijn in de geheele lengte gegeven) worden naar Fig. 39, 40 en 41 langs de dunne lijn in het
midden aaneengesneden. Verder knipt men naar Fig. 42 twee gedeelten
en eindelijk naar Fig. 43 een stuk. Eerst maakt men in elk voorstuk eene
insnijding voor het zakje op Fig. 38 op de bestemde plaats door een dub-bele gladde lijn aangegeven, boort het met een ingeregen koordje of met
No. 22. Gehaakte kinderbavette. Helft van de oorspr. grootte.
een reepje taf 1½ d. breed, en zet er dan aan den binnenkant een lap
der stof voor een grooter of kleiner zakje tegen. Op den voorkant van de voorstukken wordt van het uitsnijdsel van den hals af tot aan den
rand van onderen, een reep taf ongeveer 11 d. breed genaaid; men
doorstikt dezen reep eerst met watten op mousseline geregen, zooals
dit gedeeltelijk op Fig. 38 is voorgeteekend; het linker voorstuk