Costuum voor knapen van
14 tot 16 jaar.
No. 35. Knippatr. voorzijde van het Supplem.
No. I, Fig. 1―14.
Met behulp der naaimachine zouden vrouwen
zeer goed in staat zijn, zelfs voor vrij groote kna-
pen een geschikt costuum te vervaardigen, wij ge-
ven hiervoor een model. Het bedoelde costuum
dat uit een pantalon, vest en jaquette bestaat is
vervaardigd van grijs velours-tricot, en op
de daarvoor bestemde plaatsten met grijze hoornen
knoopen voorzien, om het dicht te maken. Het
vest en de jaquette hebben een zeer ongemeen fat-
soen, dat echter uitnemend goed kleedt.
Voor den pantalon moet men naar elk der Fig.
1, 2, 6 en 7 twee gedeelten knippen en bij de
twee eerste op een omslag 3 d. breed voor den
zoom aan den rand van onderen rekenen. Naar elk
der fig. 3, 4 en 5 wordt een gedeelte gesneden en
wel het laatste van eene dubbele laag grijs per-
kaal; met dit tweede of binnenste boord, kan men
den pantalon op zeer practische wijze dichter toe-
halen. Nadat men in elk achterste gedeelte van den pantalon de plooit van 7 aan 7 tot 8 heeft
genaaid, verbindt men dit eerst volgens de over-
eenstemmende cijfers aan het voorste gedeelte, en zet dan de twee helf-
ten van den pantalon aan elkaar van 6 tot 9 en van 6 tot 12. Hierna wordt
aan het rechter gedeelte de reep fig. 4, met voering, en aan den verkeerden
kant met twee kleine knoopjes voorzien, gezet, en tegen het linker gedeelte de
reep voor de knoopsgaten fig. 3 gestikt, die met de voorget. Knoopsgaten en
ook aan de zijde die aan den pantalon sluit, gelijk de laatste op deze plaats zelf,
met zwarte voering wordt voorzien. In de split welke van 2 tot 3 open blijft
wordt een zakje van dik grijs linnen gezet, men bekleedt het aan den rand
van boven met een lap der bovenstof, het wordt langs de gepunte lijn op fig.
1 op de stof doorgestikt, terwijl men elk eindpunt van de split met eene ge-
festonneerde lus voorziet. Nu legt men in den onderrand van den pantalon
een zoom van de hierboven genoemde breedt, naait tegen het voorste ge-
deelte omtrent 5 d. hoog een lap grijs linnen voering, en zet aan elken kant
aan de binnenzijde een knoop, om naar goedvinden een souspied te
kunnen gebruiken; deze laatste bestaat uit een rechten lap der bovenstof,
rijkelijk 3 d. breed met voering en knoopsgaten voorzien. Vervolgens zet men
den pantalon tusschen de voering en de bovenstof van een boord naar fig. 6
geknipt waarvan het linker gedeelte behalve de drie voorgeteekende knoo-
pen, aan den binnenkant nog een knoop aan den hoek van voren krijgt;
hiervoor laat men bij het aanzetten van het rechter gedeelte van het boord op
de juist plaats een knoopsgat open. Aan den onderrand van het boord zet
men in de rondte aan de binnenzijde van den pantalon een reep voering onge-
veer 6 d. breed, die aan den onderrand los blijft hangen. Eindelijk zet men
volgens de overeenstemmende teekens op de knippatronen, aan de achterste
gedeelten van den pantalon op de bovenzijde het gespboordje, en in den zij-
naad van het linker voorstuk, maar aan de binnenzijde, het gedeelte van het
tweede boord van voering vervaardigd en met knoopsgaten voorzien.
Voor het vest knipt men naar fig. 8 twee gelijke gedeelten uit bovenstof
en uit voering, naar fig. 10 twee stukken uit bovenstof, naar fig. 11 twee
gedeelten van voering elk van eene dubbele laag stof, naar fig. 9 moet men
een gedeelte aaneen, langs de dunne lijn in het midden van voering, zwart
perkaal, eveneens van dubbele stof knippen. Nu maakt men in de voorstuk-
kende voorgeteekende insnijding voor het zakje, boort den afgeknipten rand
met een ingeregen koordje, en naait er een lap voering van de noodige grootte
voor het zakje tegen, waarvan de onderste laag aan den bovenrand met een
reep der bovenstof 2 d. breed bekleed wordt. Als de bovenstof en de voering
[4 April 1866. 4e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 75
afb. No. 33 vergroot voorstelt. Hierop is duidelijk zichtbaar, dat de eerste
draden die in ééne richting door de gaatjes van de tulle gehaald zijn, geheel los
boven de oppervlakte liggen, terwijl in de tegenovergestelde richting de dra-
den even als bij het stoppen er door gevlochten worden. In de andere helft
van het blad zijn volgens afb. No. 29 slechts eenige afzonderlijke gaatjes tulle
met festonneersteken omgeven. Daarna festonneert men ook de omtrekken
en de aderen met fijn garen, men kan er nog een wit paardenhaar inleggen,
om het blad meer stevigheid te geven. Tusschen de beide gefestonneerde mid-
delste aderen knipt men de stof uit, en verbindt de beide festonneersels met
een zoogenaamd ladderstokje, dit vormt men door telkens twee festonneer-
steken dicht naast elkander te leggen die de beide aderen moeten overspannen,
of, door van de eene ader tot de andere den draad te halen en dezen terug-
gaande eens of tweemaal te omwoelen. De gedeelten voor de bloemen voert
men even als de dichte helft van de bladeren uit, men knipt voor blad No. 30
de stof binnen den dichten rand uit en vult den ledigen fond met een open pa-
troon, terwijl men deze opening in twee tegenovergestelde richtingen met
eene laag draden overspant en dan aan elk kruispunt met den draad een klein
wieltje of een knoopje maakt.
De tweede nabootsing komt zeer nabij aan echte kant en wordt zonder
stof, alleen op de met gewaste taf overtrokken teekening, met klosgaren No.
200 en eene zeer fijne naainaald gewerkt. Men neemt van het garen drie dra-
den, steekt een vierden draad in de naald, en voert het geribde blad naar aan-
wijzing van de vergroote afb. No. 34 uit, met de middelste dubbele ader be-
ginnende. Hiervoor legt men de drie draden bij a aan, voert ze in de richting
naar b en naait ze op afstanden een stroohalm breed met een dwarssteek vast,
terwijl men daarbij van onderen naar boven door de gewaste taf en het papier,
dan van boven naar onderen door dezelfde opening van den eersten steek we-
der terugsteekt. Van den top van de midden ader af werkt men langs de even-
wijdig loopende lijn terug, vormt dan op dezelfde wijze den buiten omtrek en
in verband met dezen de aderen aan beide zijden van het blad, zooals op de
afb. de in bewerking zijnde ader met c en d is aangewezen. Na voltooiing
hiervan vult men het van binnen met een soort van tullen grond (zie de met e
aangewezen plaats), de andere zijde met een dichter weefsel (zie het door f
aangeduide), doch men moet hierbij niet door de gewaste taf steken, maar al-
leen door de reeds voorhanden zijnde lussen van het weefsel en ― aan het be-
gin en einde van de rij lussen ― in den omtrek uit drie draden bestaande.
Als de beide helften van het blad zijn gevuld, dan verbindt men ze
door laddersgewijze gewerkte festonneersteken (zie de door g
aangewezen plaats). Dan festonneert men de buiten omtrek-
ken en de zijaderen zeer dun en dicht en legt er hierbij
nogmaals drie draden onder, even als bij het eerste
vormen van den omtrek. Om van den buiten om-
trek tot een zijader over te gaan verricht men ins-
gelijks volgens aanwijzing van c en d. Eindelijk
maakt men in de eene helft van het met den tullen-
grond gevulde blad, gefestonneerde vetergaten,
terwijl men de daarvoor bestemde opening eerst
tweemaal doorrijgt (zie de door een kruis aangewe-zen plaats). Men knipt vervolgens de draden tus-
schen de gewaste taf en het papier door en neemt
er alsdan het voltooide blad af. De overige gedeel-
ten behoeven geen verdere beschrijving. De bloem
bestaat uit vijf bladeren volgens No. 30, zes blade-
ren naar No. 31. Het midden vormt men door de kleine bloem No. 32, die men aan een steel van ijzerdraad bevestigt en er de smalle blaadjes No.
31 omhoogstaande als een krans omheen woelt,
daarna de 5 grootere bladeren; de laatste worden
echter, als ook de lange spitse blaadjes, elk met
een dun, met wit omwoeld ijzerdraad voorzien,
dat men er aan de verkeerde zijde aanhecht.
No. 27. Chambercloak voor heeren. Knippatroon keerzijde
van het Supplement No. XIII, Fig. 38―43.
Verklaring der teekens: wol: zwarte, witte, licht-, donkerkersebruin, ponceau, tusschen-
soort blauwe, donker reebruine, tusschensoort blauwgroene. ― Zijde: goudgele, oranjekleur.
No. 24. Tapisserie-patroon. Rand voor fauteuils, portières enz.
Oorspronkelijke grootte.
No. 26. Patroon voor oostersch bor-
duursel, ter versiering van ver-
schillende kleedingstukken.
No. 25 Patroon voor oostersch bor-
duursel, ter versiering van ver-
schillende kleedingstukken.