De Gracieuse 4 April 1866 | Page 5

de wol heeft in te vullen welke bij het patroon door de verklaring der teekens zijn aangewezen, hetgeen het werk aanmerkelijk veel gemakkelij-

ker maakt. Men kan dezen rand voor verschillende meubelen bezigen, als

portières, kleedjes, enz.; voor fauteuils worden meestal een, voor cana-

pé’s doorgaans drie van deze geborduurde randen genomen, portières

worden aan de beide lange zijden met een zoodanigen rand afgesloten.

Twee patronen ter garneering van verschillende

voorwerpen.

Afbeelding No. 25 en 26.

Beide patronen kunnen ter versiering van kinderkleederen, jaquetten,

blousen, cachemiren doeken, ceintuurs, bretellen, banden voor scharen,

werkmanden enz. dienen. Men voert ze met zijde of florawol uit, hetzij met meer of minder kleuren, overeenkomstig de kleur van de stof. Op

witte, zwarte of grijze stof vervaardigd, maakt dit patroon een uitmun-

tend fraai effect.

Afbeelding No. 25. De recht loopende lijnen van het patroon zijn

met den kettingsteek met bruine, de knoopjes tusschen de lijnen in, met

oranje zijde, de met den kettingsteek voorgestelde kruisvormige figuren

met lichtgroene, de cirkels van binnen met donker groene zijde uitgevoerd.

van binnen geschiedt als voorheen, men keert dan het werk bij den

8sten toer van het voorstuk, tot op 16 steken van den hals of om; in

den 10den toer van den 54sten steek van het begin af gesteld; in den 16den toer op 19 steken afstand van den bovenrand; in den 18den

toer na den 59sten steek; in den 24sten toer 24 steken van den boven-

rand; in den 26sten na den 64sten steek; in den 32sten toer op 27 ste-

ken afstand van den bovenrand; in den 34sten toer 31 steken van den

rand; in den 46sten en 52sten toer telkens 6 steken lager. Deze laatste

mindering vormt van voren het midden van het bavetje en men werkt

nu de tweede helft, daar men evenwel dezelfde bewerking hiervan nu

terugwaarts verricht. Na voltooiing van de tweede helft haakt men

den smallen schouder, dus den eersten en laatsten toer, telkens met

den bovensten steek van het voorstuk te zamen en voert dan rondom

het geheel bavetje en om de armsgaten het volgende kantje uit:

1ste toer. Afwisselend; 2 st., 2 kett. Men heeft slechts hierop te

letten, dat deze toer niet trekt, veeleer een weinig ruimte wordt. ―

2de toer. Afwisselend, 1 v. st., 3 kett.; de v. st. wordt elkens tus-

schen de 2 st. van den vor. toer gehaakt. ― 3de toer. Afwisselend, 2 st.; 3 kett.; de 2 st. worden telkens in de v. st. van den vor. toer gehaakt. ― 4de toer. In elken kett. boog 6 st., tusschen de 2 st. van

den vor. toer gedurig 1 v. st. Hiermede is de bavette voltooid.

Patroon voor een rand in application op een

geknoopten grond.

Afbeelding No. 23.

Dit applicationwerk op fijn batist of nansoek op een geknoopten

grond, is geheel iets nieuws op het terrein van vrouwelijke handwer-

ken, waarvoor wij onzen lezeressen thans de gelegenheid geven door

het uitvoeren van dezen fraaien rand. Deze rand is bijzonder geschikt

ter versiering van altaarkleeden, gordijnen, randen voor gestikte de-

kens, als ook met eene gekleurde voering voorzien voor lambrequins.

Verkiest men zich het werk gemakkelijker te maken, dan kan men

in plaats van het zelf te knoopen, knoop of zoogenaamde erwtentulle

voor den grond nemen, waarop men alsdan een dichte stof (nansoek of

batist) hecht, en vervolgens het patroon er op de reeds bekende

wijze op uitvoert. Den gekruisten naad waarmede de opening van

de appels wordt aangegeven, werkt men met fijn garen en knipt

buitenrand (het armsgat) daarentegen eene regelmatige meerdering, daar men voor de laatste, aldaar aan het einde van de toeren in den laatsten steek, gedurig 2 v. st. haakt, en wel van den eersten dichten toer af die op den 18den open toer

volgt. De mindering geschiedt, doordien men in den derden dichten toer de 24

laatste steken van den voorgaanden toer onbewerkt laat en daarna omkeerende den

volgenden open toer begint, zoodat hierdoor eene ribbe verloopt. ― 19de toer. On-

geveer 6 v. st. (er moeten dan nog 24 steken voor het open gedeelte over zijn), 2

kett., 2 st., 2 dubb. st., 2 st., 2 vierv. st., het laatste door 4, de overige telkens

door 2 kett. gescheiden; deze regel wordt ook bij de verdere voortzetting in

acht genomen. De volgende dichte toer wordt zooals van zelf spreekt weder

over den geheelen toer steken gewerkt en eindigt met meerderen. ― 20 en 21ste

toer. Men haakt weder zooveel v. st. tot dat er 24 steken voor het open gedeelte

over blijven, overigens wordt hij als de 19de toer gehaakt. ― In den derden

van de nu volgende dichte toeren wordt weder geminderd, daar men na

den 29sten steek omkeert. ― 22 en 23sten toer. Zoo veel v. st., dat er nog

slechts 27 steken overblijven, dan: 2 kett., 2 st., 2 dubb. st., 2 driev. st.,

3 vierv. st. ― Aan het einde van den daaropvolgenden dichten toer, haakt men 34 kett. als opzetsel voor het voorste gedeelte van het armsgat (het

voorstuk), dan terug den 2den en 3den dichten toer; in den laatsten haakt

men echter, ten einde te minderen, slechts 50 steken en keert dan om. (La-ter bij het natellen van de toeren van het voorstuk worden deze beide laatste toeren medegerekend.) ― 23ste als de 22ste toer. De 3 volgende dichte toeren worden zonder meerderen en minderen gewerkt. Het open

gedeelte wordt voorts na elken 3den toer met 1 vierv. st. verbreed, wij be-

schrijven daarom slechts de minderingen in het dichte gedeelte, en reke-

nen bij het tellen van de toeren van de op nieuw opgezette steken van het

voorstuk af. Er wordt aldaar op 3 verschillende plaatsen geminderd, na-

melijk: aan de ronding van den hals en van binnen in twee in tegenoverge-

stelde richting loopende lijnen, zooals men bij eene nauwkeurige waarne-

ming op de afb. kan zien. Aan den hals worden de 3 eerste ribben zonder

minderen gehaakt, alsdan laat men aldaar tot in het midden van voren aan

het einde van den toer gedurig den laatsten steek onbewerkt. De mindering

[4 April 1866. 4e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 73

No. 16. Gebreid rokje (cache maillot) voor jonggeboren kinderen.

No. 18. Coiffure “à la grecque.” Achterzijde.

No. 20. Coiffure “Pia Sylvia.” Knippatroon voorzijde v. h. Suppl.

No. III, Fig. 18―20.

No. 22. Mutsje “Croisille.” Knippatr. voorzijde v. h. Suppl.

No. IV, Fig. 21.

No. 21. Mutsje “Voile.” Knippatr. voorz. v. h. Suppl. No. II, Fig. 15―17.

No. 17. Coiffure “à la grecque.” Voorzijde.