De Gracieuse 4 April 1866 | Page 4

Coiffure “Pia Silvia.”

Afb. No. 20. Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No. III, Fig. 18―20.

Zwarte gebloemde zijden tulle of krip, kant, ronde en lankwerpige zwarte

kralen (grelots), alsook zwart fluweelen of taffen lint maken de bestanddeelen

uit die men noodig heeft, om naar ons lief model ― half mutsje, half coiffure ― een mutsje voor een rouw-

toilet te vervaardigen; anders kan man ook witte tulle en

kant, verder kristallen kralen en gekleurd taffen lint ne-

men. Als voering of grondvorm knipt men naar elk der

fig. 18 en 20 uit eene dubbele laag stijve tulle een ge-

deelte aaneen; dan legt men in den buitenrand van het

eerste gedeelte naar aanwijzing op fig. 18 eenige plooien,

door elk kruis op het daarnaast liggende punt te hechten,

en overdekt het met een lap zijden tulle in 4 doffen inge-

haald, door de tulle op de rijgdraden langs de dunne

gladde lijnen op fig. 18 aan-gegeven, vast te naaien.

Voor elke dof heeft men 8 d. breedte van de stof en de

dubbele lengte van de ruimte

welke hij moet bedekken,

noodig. Verder wordt de bo-

dem volgens de overeen-

stemmende cijfers aan de pas

gezet, en de draperie er ook

volgens de gelijkluidende

teekens en cijfers tegenge-

naaid; deze draperie wordt

naar fig. 19 langs de dunne

lijn in het midden aaneenge-

knipt, men zet om den een

weinig afgeronden buiten-

rand een ingerimpelde kant

4 d. breed, en rimpelt haar

aan den bovenrand mede in.

Tusschen de doffen hecht

men op de rijgdraden, tel-

kens twee aan twee ronde zwarte kralen, en ook op

den naad waarmede de dra-

perie aan den bodem is gezet, alsmede grelots 1 d. lang, en versiert de punt

van de draperie met afzon-

derlijke ronde kralen. Ein-

delijk garneert men de pas

van de punt af tot aan ster aan den linker kant, met eene ruche van kant 3 d.

breed met kralen versierd,

Dit mutsje is zeer lief maar toch zeer eenvoudig opgemaakt, en zooals de afb.

het aantoont, bijzonder voor eene coiffure met een chignon geschikt. De bodem be-

staat uit een gladden driehoekigen lap neteldoek, die naar fig. 21 langs de dunne

lijn, in het midden aaneen, wordt geknipt. Nu legt men onder twee geborduurde

reepen tusschenzetsel, elk 33 d. lang en 1 d. breed, een weinig smaller groen taffen

lint, en naait er in de rondte behalve aan de eene dwarszijde, een guipurekant 3 d.

breed omheen; deze wordt aan

de hoeken van elken reep en-

tre-deux ingerimpeld en

vormt in vereeniging met

het laatste aan elken kant

van het mutsje, een lus.

De reepen worden aan de

beide korte einden van

den buitenrand van den neteldoekschen bodem er

zoodanig opgenaaid, dat de kant aan de eene zijde

van den reep los over den bodem ligt, de reepen

moeten aan de hoeken van achteren in het mid-

den van den fond kruiselings over elkaar lig-

gen en van daar af met de afgeronde einden

nog 20 d. lang los blijven han-

gen. Nu zet men van voren

aan den buitenrand van den

neteldoekschen bodem,

eene pas, naar aanwij-

zing van fig. 21 uit dub-

bel neteldoek geknipt,

hecht er bovenop van

ster af een groen

taffen lint 3 d. breed

tot op de helft van

de breedte toege-

vouwen op, dit

lint loopt van de hoeken van den fond in dezelfde richting van de pas nog 14 d.

lang voort, maar blijft daarna in de geheele breedte, met einden 54 d. lang, voor

de strikbanden hangen. Van ster op fig. 21 af, bedekt men de pas, namelijk het

lint, zoo ver als het half toe is gevouwen, aan beide zijden met een even breed

guipure entre-deux, hecht aan het eind hiervan het afgeronde eind van elke

lus op het lint vast, en versiert het laatste met een strik uit tweedubbele lus

sen taffen lint 1 d. breed, gevormd. De bodem is van voren in het midden

versierd met eene volle rozet van taffen lint 3 d. breed, in de rondte door

een guipure kant omgeven. De voorkant van den fond is verder gegarneerd

met drie touffen lussen, die over elkaar heenvallen, van het hierbovenge-

noemde smalle groen taffen lint, zij sluiten zich aan elke zijde aan de kanten

versiering aan.

waarin dichte dubbele plooien zijn gelegd, de kant wordt door er een reep baantulle aan te zetten, tot op

6 d. breedte gebracht. Het nog effen gedeelte van de

pas wordt aan deze zijde bedekt met een lankwerpigen strik, uit drie tegenover elkaar liggende lussen van taffen lint 4 d. breed bestaande; een soortgelijk lint, dat van dezen strik uitgaat, bedekt een weinig in de rondte gewonden, het aanzetten van de ruche,

vormt aan het begin daarvan aan de andere zijde van

de punt een tweeden strik die slechts vier lussen telt, en loopt dan van het eind van de pas voort, waar hij

weder het aanzetten van eene eenvoudig geplooide ruche bedekt, uit dezelfde bestanddeelen samengesteld. Aan

elk der einden van de pas hecht men hetzij een strikband of wel een reepje smal elastiek band, het wordt met

een strik met einden voorzien, en onder den chignon bevestigd.

Mutsje “Voile.”

Knippatr., voorzijde v. h. Supplem. No. II, Fig. 15―17.

Dit mutsje krijgt een bijzonder gracieusen vorm door het lankwerpig vierkante gedeelte uit

guipure tusschenzetsel en kant samengesteld, dat op de kruin ligt en van achteren los af-

hangt. Het voorste gedeelte van de pas wordt met een vlecht van ponceau fluweelen lint,

het achterste gedeelte met een glad eind van hetzelfde lint gegarneerd; de draperie is

mede met een paar strikken versierd. De draperie wordt naar fig. 15 uit verschillende

reepen tusschenzetsel, rijkelijk 8 d. breed (ons model heeft er drie) samengesteld,

door deze aan de lange zijden met overhandsche steken aan elkaar te naaien, men

zet er in de rondte een kant 4 d. breed om, en rimpelt de draperie, ― behalve de

kant ― langs de beide gladde lijnen op fig. 15 aangegeven, tot op 11 d. breedte

in. Nu knipt men naar elk der figuren 16 en 17 een gedeelte in eene dubbele

laag stijve tulle aaneen, naait in elk een eind smal soutien, waarna de ge-

deelten van 30 tot 31 aan elkaar worden gezet. Hierna maakt men van drie

einden ponceau fluweelen lint 3 d. breed en half toegevouwen een vlecht,

die rijkelijk 4 d. breed moet zijn, en tot op het aanzetten van fig. 17 op de

pas wordt gehecht. Men bedekt het achterste gedeelte van de pas, naar het

laatstgenoemde figuur geknipt, met

een eind van hetzelfde lint, maar

dat er glad opligt, en zoo lang dat

het eerst met een dwarsplooitje

op de einden van de pas ge-

hecht, deze bedekt, en ver-

der in strikbanden elk 60 d.

lang voortloopt. Einde-

lijk hecht men de draperie van ster tot aan de beide

zijden op den voorkant van de pas zoodanig vast, dat de

kant over de helft der breedte van de vlecht ligt, en gar-

neert de draperie daar waar zij is ingerimpeld, met

twee strikken elk van twee lussen en twee einden pon-

ceau fluweelen lint, die over de geheele breedte van

de pas heenliggen.

Twee hoeken voor zakdoeken.

Afb. No. 36 en 37.

De letters H O op de afbeelding 36 wor-

den met wit of rood garen of met zwarte

of gele zijde die niet verbleekt, hoog

― de O buitendien in het midden

gescheiden, ―geborduurd.

Afb. No. 37. Men borduurt de

B en ook de beide punten bo-

ven de U dik met wit katoen, de U wordt daarenboven fijn gecordonneerd en met

dichte stiksteken met zwarte zijde of rood garen ingevuld.

Gehaakte kinderbavette.

Afb. No. 22. Fijn breikatoen of grof haakgaren.

Het oorspronkelijke model van deze bavette, met armsgaten voorzien, wordt

met den geribden haaksteek uitgevoerd; zij loopt echter naar onderen toe

wijder uit door het opengehaakte geplooide garnituur, dat van voren als

het ware een schoot vormt. Men haakt doorgaande zeer vast, met uit-

zondering van de smalle kant die het geheel omgeeft. Op den schouder

beginnende, zet men 11 steken op en werkt in heen- en teruggaande

toeren met vaste steken, gedurig in de achterste lus stekende, 11 toe-

ren, aan het begin van elken toer 1 kett., opdat men den 1sten v. st.

van den toer in den laatsten steek van den vor. toer zou kunnen haken,

en de buitenrand alzoo recht blijft. ― 12de toer. 6 v. st., 2 kett., 1 st. (stokje), in den 2den daaropvolgenden steek, 3 keet., 1 st. in den laat-

sten steek. (De zijde waarop men dezen toer haakt, is de rechte zijde van het werk, het begin van dezen toer is aan het armsgat, waar de

buitenrand geheel recht moet blijven). ― 13de toer. 13 v. st. terug. ― 14de toer, als de 12de toer, echter 8

in plaats van 6 v. st. ― 15de toer. 15 v. st. terug.

16de toer, als de 14de toer, doch 9 in plaats van 8

v. st. en voor het laatste st. 4 in plaats van 3 kett.

Van den 17den tot den 19den toer, telkens 17 v. st. 20ste toer. 10 v. st., 2 kett., 1 st., 2 kett., 1 st., 4

kett., 1 dubb. st. (bij de 2 eerste st. slaat men tel-

kens 1, bij het laatste st. 2 steken van den vor. toer

over). Er volgen nu nogmaals 3 toeren v. st., die na

elken open toer herhaald worden; wij vermelden

deze 3 toeren gedurende de verdere beschrijving niet

meer, maar slechts alleen de opengehaakte toeren.

5de open toer. 12 v. st., dan als de 4de open toer.

6de toer (namelijk open toer). 14 v. st., dan als de 4de toer. ― 7de toer. 14 v. st., 2 kett., 1 st., 2 kett.,

men hoofdzakelijk vreemd haar, en wel drie bandeaux

van verschillende lengte, gedeeltelijk gegolfd, gedeel-

telijk met krullen, noodig. Bij het kappen maakt men

eerst in het voorhaar drie scheidingen, het middelste gedeelte moet het breedste zijn, men kamt dit laatste

à la chinoise” op en maakt het bij het achterhaar dat tamelijk hoog wordt gebonden vast. Nu bevestigt

men van voren op de middelste scheiding de grootste

bandeau “à la Josephine” genaamd, waarvan de

lokken op het voorhoofd neervallen; daarna kamt men het zijhaar in de hoogte, legt dit op het achterhoofd

gekruist over elkaar, draait de einden om het bindsel, en schikt de kleine gegolfde bandeaux zoodanig de eene

onder de andere, dat de krullen zich met de gegolfde partij vermengen; de kleine bandeaux worden met kam-

metjes onder het gegolfde haar vastgestoken. De wortels van het naar boven gekamde zijhaar moe-

ten goed zichtbaar blijven, omdat de krullen op het voorhoofd, als van het eigen haar vervaar-

digd moeten schijnen te zijn. Bij het kappen van den chignon à marteaux, waarvoor men

evenzeer, als het eigen haar niet voldoende is, vreemd haar noodig heeft, verdeelt men het

gebonden achterhaar zoodanig, dat men vijf over elkaar heen liggende lagen verkrijgt,

rolt elk dezer strengen aan de punt van het haar beginnende over een crêpé, steekt deze

aan beide zijden vast, en bevestigt dan aan elke zijde van den chignon eene loshangende

krul. De crêpés moeten echter verschillend van grootte zijn, om aan den chignon een

gracieusen vorm te geven. Eindelijk schikt men er volgens de afbeeldingen of naar

eigen goedvinden de bloemen tusschen.

Mutsje “croisille.”

Afb. No. 19. Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No. IV, Fig. 21.

72 DE GRACIEUSE. [4 April 1866. 4e Jaargang.]

No. 13. Crinoline “Tirette.” Omhoog getrokken.

No. 11. Portejupe “l'Indispensable.”

De omhoog getrokken rok: aan de binnenzijde gezien.

No. 12. Crinoline “Tirette.” Neergelaten.

1 st., 2 kett., 1 dubb. st., 4 kett., 1 dubb. St. Het

laatste st. moet gedurig op den laatsten steek van

den vor. toer komen. ― 8ste toer. 16 v. st., dan

als de vorige toer. ― 9de toer. 18 v. st., ver-

der als de vorige toer. ― 10de toer. 20 v.

st., 2 kett., 2 st., 2 dubb. st., deze 4 st. elk

door 2 kett. gescheiden, 4 kett., 1 drie-

voudig st. ― 11de en 12de toer, als de

10de toer, echter telkens met 21 v. st.

en met de 2 kett. gedurig 2 steken

overslaande, uitgenomen de 2 eerste

kett. ― 13de toer. 23 v. st., 2 kett.,

2 st., 2 dubb. st., 1 driev. st.,

gedurig door 2 kett. geschei-

den, 4 kett., 1 driev. st. ― 14de en 15de toer, als de 13de toer, evenwel met 25 en 27 v. st. ― 16de toer.

26 v. st., 2 kett., 2 st., 2 dubb. st., 2 driev. st., deze st. elk door 2 kett. ge-

scheiden, 4 kett., 1 vier-

voudig st. ― 17de en 18de toer. Als de 16de toer,

doch met 28 en 30 vaste

steken.

Na den 18den open toer begint de mindering van binnen in het ge-

ribde gedeelte; aan den

No. 9. Ceintuur met eene stijve voering.

Knippatr. voorz. v. h. Supplement No. XII, Fig. 47.

No. 14. Jaquette met schoot à revers. Voorzijde. Knippatroon keerz.

v. h. Supplement No. XV, Fig. 49―53.

No. 10. Portejupe “l'Indispensable.” De neergelaten rok: aan de

binnenzijde gezien. Hierbij behoort de afbeelding op de

keerzijde v. h. Supplem. No. XVII, Fig. 57.

No. 15. Jaquette met schoot à revers. Keerzijde.

Knippatr. keerz. v. h. Supplem. No. XV, Fig. 49―53.