Coiffure “Pia Silvia.”
Afb. No. 20. Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No. III, Fig. 18―20.
Zwarte gebloemde zijden tulle of krip, kant, ronde en lankwerpige zwarte
kralen (grelots), alsook zwart fluweelen of taffen lint maken de bestanddeelen
uit die men noodig heeft, om naar ons lief model ― half mutsje, half coiffure ― een mutsje voor een rouw-
toilet te vervaardigen; anders kan man ook witte tulle en
kant, verder kristallen kralen en gekleurd taffen lint ne-
men. Als voering of grondvorm knipt men naar elk der
fig. 18 en 20 uit eene dubbele laag stijve tulle een ge-
deelte aaneen; dan legt men in den buitenrand van het
eerste gedeelte naar aanwijzing op fig. 18 eenige plooien,
door elk kruis op het daarnaast liggende punt te hechten,
en overdekt het met een lap zijden tulle in 4 doffen inge-
haald, door de tulle op de rijgdraden langs de dunne
gladde lijnen op fig. 18 aan-gegeven, vast te naaien.
Voor elke dof heeft men 8 d. breedte van de stof en de
dubbele lengte van de ruimte
welke hij moet bedekken,
noodig. Verder wordt de bo-
dem volgens de overeen-
stemmende cijfers aan de pas
gezet, en de draperie er ook
volgens de gelijkluidende
teekens en cijfers tegenge-
naaid; deze draperie wordt
naar fig. 19 langs de dunne
lijn in het midden aaneenge-
knipt, men zet om den een
weinig afgeronden buiten-
rand een ingerimpelde kant
4 d. breed, en rimpelt haar
aan den bovenrand mede in.
Tusschen de doffen hecht
men op de rijgdraden, tel-
kens twee aan twee ronde zwarte kralen, en ook op
den naad waarmede de dra-
perie aan den bodem is gezet, alsmede grelots 1 d. lang, en versiert de punt
van de draperie met afzon-
derlijke ronde kralen. Ein-
delijk garneert men de pas
van de punt af tot aan ster aan den linker kant, met eene ruche van kant 3 d.
breed met kralen versierd,
Dit mutsje is zeer lief maar toch zeer eenvoudig opgemaakt, en zooals de afb.
het aantoont, bijzonder voor eene coiffure met een chignon geschikt. De bodem be-
staat uit een gladden driehoekigen lap neteldoek, die naar fig. 21 langs de dunne
lijn, in het midden aaneen, wordt geknipt. Nu legt men onder twee geborduurde
reepen tusschenzetsel, elk 33 d. lang en 1 d. breed, een weinig smaller groen taffen
lint, en naait er in de rondte behalve aan de eene dwarszijde, een guipurekant 3 d.
breed omheen; deze wordt aan
de hoeken van elken reep en-
tre-deux ingerimpeld en
vormt in vereeniging met
het laatste aan elken kant
van het mutsje, een lus.
De reepen worden aan de
beide korte einden van
den buitenrand van den neteldoekschen bodem er
zoodanig opgenaaid, dat de kant aan de eene zijde
van den reep los over den bodem ligt, de reepen
moeten aan de hoeken van achteren in het mid-
den van den fond kruiselings over elkaar lig-
gen en van daar af met de afgeronde einden
nog 20 d. lang los blijven han-
gen. Nu zet men van voren
aan den buitenrand van den
neteldoekschen bodem,
eene pas, naar aanwij-
zing van fig. 21 uit dub-
bel neteldoek geknipt,
hecht er bovenop van
ster af een groen
taffen lint 3 d. breed
tot op de helft van
de breedte toege-
vouwen op, dit
lint loopt van de hoeken van den fond in dezelfde richting van de pas nog 14 d.
lang voort, maar blijft daarna in de geheele breedte, met einden 54 d. lang, voor
de strikbanden hangen. Van ster op fig. 21 af, bedekt men de pas, namelijk het
lint, zoo ver als het half toe is gevouwen, aan beide zijden met een even breed
guipure entre-deux, hecht aan het eind hiervan het afgeronde eind van elke
lus op het lint vast, en versiert het laatste met een strik uit tweedubbele lus
sen taffen lint 1 d. breed, gevormd. De bodem is van voren in het midden
versierd met eene volle rozet van taffen lint 3 d. breed, in de rondte door
een guipure kant omgeven. De voorkant van den fond is verder gegarneerd
met drie touffen lussen, die over elkaar heenvallen, van het hierbovenge-
noemde smalle groen taffen lint, zij sluiten zich aan elke zijde aan de kanten
versiering aan.
waarin dichte dubbele plooien zijn gelegd, de kant wordt door er een reep baantulle aan te zetten, tot op
6 d. breedte gebracht. Het nog effen gedeelte van de
pas wordt aan deze zijde bedekt met een lankwerpigen strik, uit drie tegenover elkaar liggende lussen van taffen lint 4 d. breed bestaande; een soortgelijk lint, dat van dezen strik uitgaat, bedekt een weinig in de rondte gewonden, het aanzetten van de ruche,
vormt aan het begin daarvan aan de andere zijde van
de punt een tweeden strik die slechts vier lussen telt, en loopt dan van het eind van de pas voort, waar hij
weder het aanzetten van eene eenvoudig geplooide ruche bedekt, uit dezelfde bestanddeelen samengesteld. Aan
elk der einden van de pas hecht men hetzij een strikband of wel een reepje smal elastiek band, het wordt met
een strik met einden voorzien, en onder den chignon bevestigd.
Mutsje “Voile.”
Knippatr., voorzijde v. h. Supplem. No. II, Fig. 15―17.
Dit mutsje krijgt een bijzonder gracieusen vorm door het lankwerpig vierkante gedeelte uit
guipure tusschenzetsel en kant samengesteld, dat op de kruin ligt en van achteren los af-
hangt. Het voorste gedeelte van de pas wordt met een vlecht van ponceau fluweelen lint,
het achterste gedeelte met een glad eind van hetzelfde lint gegarneerd; de draperie is
mede met een paar strikken versierd. De draperie wordt naar fig. 15 uit verschillende
reepen tusschenzetsel, rijkelijk 8 d. breed (ons model heeft er drie) samengesteld,
door deze aan de lange zijden met overhandsche steken aan elkaar te naaien, men
zet er in de rondte een kant 4 d. breed om, en rimpelt de draperie, ― behalve de
kant ― langs de beide gladde lijnen op fig. 15 aangegeven, tot op 11 d. breedte
in. Nu knipt men naar elk der figuren 16 en 17 een gedeelte in eene dubbele
laag stijve tulle aaneen, naait in elk een eind smal soutien, waarna de ge-
deelten van 30 tot 31 aan elkaar worden gezet. Hierna maakt men van drie
einden ponceau fluweelen lint 3 d. breed en half toegevouwen een vlecht,
die rijkelijk 4 d. breed moet zijn, en tot op het aanzetten van fig. 17 op de
pas wordt gehecht. Men bedekt het achterste gedeelte van de pas, naar het
laatstgenoemde figuur geknipt, met
een eind van hetzelfde lint, maar
dat er glad opligt, en zoo lang dat
het eerst met een dwarsplooitje
op de einden van de pas ge-
hecht, deze bedekt, en ver-
der in strikbanden elk 60 d.
lang voortloopt. Einde-
lijk hecht men de draperie van ster tot aan de beide
zijden op den voorkant van de pas zoodanig vast, dat de
kant over de helft der breedte van de vlecht ligt, en gar-
neert de draperie daar waar zij is ingerimpeld, met
twee strikken elk van twee lussen en twee einden pon-
ceau fluweelen lint, die over de geheele breedte van
de pas heenliggen.
Twee hoeken voor zakdoeken.
Afb. No. 36 en 37.
De letters H O op de afbeelding 36 wor-
den met wit of rood garen of met zwarte
of gele zijde die niet verbleekt, hoog
― de O buitendien in het midden
gescheiden, ―geborduurd.
Afb. No. 37. Men borduurt de
B en ook de beide punten bo-
ven de U dik met wit katoen, de U wordt daarenboven fijn gecordonneerd en met
dichte stiksteken met zwarte zijde of rood garen ingevuld.
Gehaakte kinderbavette.
Afb. No. 22. Fijn breikatoen of grof haakgaren.
Het oorspronkelijke model van deze bavette, met armsgaten voorzien, wordt
met den geribden haaksteek uitgevoerd; zij loopt echter naar onderen toe
wijder uit door het opengehaakte geplooide garnituur, dat van voren als
het ware een schoot vormt. Men haakt doorgaande zeer vast, met uit-
zondering van de smalle kant die het geheel omgeeft. Op den schouder
beginnende, zet men 11 steken op en werkt in heen- en teruggaande
toeren met vaste steken, gedurig in de achterste lus stekende, 11 toe-
ren, aan het begin van elken toer 1 kett., opdat men den 1sten v. st.
van den toer in den laatsten steek van den vor. toer zou kunnen haken,
en de buitenrand alzoo recht blijft. ― 12de toer. 6 v. st., 2 kett., 1 st. (stokje), in den 2den daaropvolgenden steek, 3 keet., 1 st. in den laat-
sten steek. (De zijde waarop men dezen toer haakt, is de rechte zijde van het werk, het begin van dezen toer is aan het armsgat, waar de
buitenrand geheel recht moet blijven). ― 13de toer. 13 v. st. terug. ― 14de toer, als de 12de toer, echter 8
in plaats van 6 v. st. ― 15de toer. 15 v. st. terug.
16de toer, als de 14de toer, doch 9 in plaats van 8
v. st. en voor het laatste st. 4 in plaats van 3 kett.
Van den 17den tot den 19den toer, telkens 17 v. st. 20ste toer. 10 v. st., 2 kett., 1 st., 2 kett., 1 st., 4
kett., 1 dubb. st. (bij de 2 eerste st. slaat men tel-
kens 1, bij het laatste st. 2 steken van den vor. toer
over). Er volgen nu nogmaals 3 toeren v. st., die na
elken open toer herhaald worden; wij vermelden
deze 3 toeren gedurende de verdere beschrijving niet
meer, maar slechts alleen de opengehaakte toeren.
5de open toer. 12 v. st., dan als de 4de open toer.
6de toer (namelijk open toer). 14 v. st., dan als de 4de toer. ― 7de toer. 14 v. st., 2 kett., 1 st., 2 kett.,
men hoofdzakelijk vreemd haar, en wel drie bandeaux
van verschillende lengte, gedeeltelijk gegolfd, gedeel-
telijk met krullen, noodig. Bij het kappen maakt men
eerst in het voorhaar drie scheidingen, het middelste gedeelte moet het breedste zijn, men kamt dit laatste
“à la chinoise” op en maakt het bij het achterhaar dat tamelijk hoog wordt gebonden vast. Nu bevestigt
men van voren op de middelste scheiding de grootste
bandeau “à la Josephine” genaamd, waarvan de
lokken op het voorhoofd neervallen; daarna kamt men het zijhaar in de hoogte, legt dit op het achterhoofd
gekruist over elkaar, draait de einden om het bindsel, en schikt de kleine gegolfde bandeaux zoodanig de eene
onder de andere, dat de krullen zich met de gegolfde partij vermengen; de kleine bandeaux worden met kam-
metjes onder het gegolfde haar vastgestoken. De wortels van het naar boven gekamde zijhaar moe-
ten goed zichtbaar blijven, omdat de krullen op het voorhoofd, als van het eigen haar vervaar-
digd moeten schijnen te zijn. Bij het kappen van den chignon à marteaux, waarvoor men
evenzeer, als het eigen haar niet voldoende is, vreemd haar noodig heeft, verdeelt men het
gebonden achterhaar zoodanig, dat men vijf over elkaar heen liggende lagen verkrijgt,
rolt elk dezer strengen aan de punt van het haar beginnende over een crêpé, steekt deze
aan beide zijden vast, en bevestigt dan aan elke zijde van den chignon eene loshangende
krul. De crêpés moeten echter verschillend van grootte zijn, om aan den chignon een
gracieusen vorm te geven. Eindelijk schikt men er volgens de afbeeldingen of naar
eigen goedvinden de bloemen tusschen.
Mutsje “croisille.”
Afb. No. 19. Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No. IV, Fig. 21.
72 DE GRACIEUSE. [4 April 1866. 4e Jaargang.]
No. 13. Crinoline “Tirette.” Omhoog getrokken.
No. 11. Portejupe “l'Indispensable.”
De omhoog getrokken rok: aan de binnenzijde gezien.
No. 12. Crinoline “Tirette.” Neergelaten.
1 st., 2 kett., 1 dubb. st., 4 kett., 1 dubb. St. Het
laatste st. moet gedurig op den laatsten steek van
den vor. toer komen. ― 8ste toer. 16 v. st., dan
als de vorige toer. ― 9de toer. 18 v. st., ver-
der als de vorige toer. ― 10de toer. 20 v.
st., 2 kett., 2 st., 2 dubb. st., deze 4 st. elk
door 2 kett. gescheiden, 4 kett., 1 drie-
voudig st. ― 11de en 12de toer, als de
10de toer, echter telkens met 21 v. st.
en met de 2 kett. gedurig 2 steken
overslaande, uitgenomen de 2 eerste
kett. ― 13de toer. 23 v. st., 2 kett.,
2 st., 2 dubb. st., 1 driev. st.,
gedurig door 2 kett. geschei-
den, 4 kett., 1 driev. st. ― 14de en 15de toer, als de 13de toer, evenwel met 25 en 27 v. st. ― 16de toer.
26 v. st., 2 kett., 2 st., 2 dubb. st., 2 driev. st., deze st. elk door 2 kett. ge-
scheiden, 4 kett., 1 vier-
voudig st. ― 17de en 18de toer. Als de 16de toer,
doch met 28 en 30 vaste
steken.
Na den 18den open toer begint de mindering van binnen in het ge-
ribde gedeelte; aan den
No. 9. Ceintuur met eene stijve voering.
Knippatr. voorz. v. h. Supplement No. XII, Fig. 47.
No. 14. Jaquette met schoot à revers. Voorzijde. Knippatroon keerz.
v. h. Supplement No. XV, Fig. 49―53.
No. 10. Portejupe “l'Indispensable.” De neergelaten rok: aan de
binnenzijde gezien. Hierbij behoort de afbeelding op de
keerzijde v. h. Supplem. No. XVII, Fig. 57.
No. 15. Jaquette met schoot à revers. Keerzijde.
Knippatr. keerz. v. h. Supplem. No. XV, Fig. 49―53.