dan het patroon: 1ste toer. Omslaan, 1 st. afhalen, als wilde men
den steek averechts breien; minderen. Dit wordt voortdurend her-
haald. ― 2de toer. Men breit gedurig den in den vorigen toer afge-
haalden steek met den daar vlak achter liggenden omgeslagen
draad te zamen recht af, de in den vorigen toer geminderde
steek daarentegen wordt gedurig, nadat men vooraf heeft
omgeslagen, averechts afgehaald. Als dezen toer breit men
alle volgende toeren. Na den 24sten toer meerdert men
aan de beide buitenzijden 7 of 8 maal 1 steek en wel na
telkens 8 toeren tusschenruimte. Het getal der ribben
van het patentpatroon moet alsdan 20 bedragen. In
deze breedte breit men voort, totdat het werk in
het geheel 176 toeren, dus 88 stekenlussen in
eene ribbe telt. (Men vormt bij den patentsteek
gedurig door twee toeren slechts een voor-
komende stekenlus in elke ribbe). Het patent-
patroon houdt nu op en men breit als onder-
kant van den zak 9 toeren geheel recht, 1
toer averechts. (Het getal steken moet 60 be-
dragen). Daarna begint de point de dia-
mant. ― 1ste toer. (Rechterzijde van het
werk). 8 steken recht (voor den buitenrand),
dan gedurig afwisselend: omslaan, minderen,
tot op de 8 laatste steken na, die weder recht
gebreid moeten worden. ― 2de en 5de toer.
Geheel recht. Het getal steken moet weder 60 bedragen. ― 4de toer.
Averechts, uitgenomen de 3 eerste en laatste steken, die gedurig recht gebreid worden. ― Men herhaalt nu
voortdurend deze 4 toeren. Nadat men het patroon ongeveer 17 maal gebreid heeft, en het dus 68 toeren telt,
begint man aan beide zijden den point de diamant (dus den fond) zoodanig af te minderen, dat na 25 pa-
troontoeren (dus na 100 toeren) het getal steken tot op 38 verminderd is. Dit getal behoudt men, breit nog
10 patronen en kant dan af. Langs het patent patroon neemt men aan beide zijden de kantsteken op en breit
recht heen en weder nog een rand van 8 toeren. Op den eersten toer van dezen rand, dus dicht aan den pa-tenttoer, naait men aan den buitenkant op 6 of 7 d. afstand van elkander een klein knoopje op, het eerste
dicht aan den bovenrand, het laatste op 12 d. van den onderrand af. De overeenkomende gefestonneerde
lussen brengt men aan de binnenzijde van het bovengedeelte aan, daar, waar de point de diamant
begint, zoodat, bij het te zamen knoopen van den zak de recht gebreide rand van het bovengedeelte er los
over ligt; 6 d. van den ondersten knoop af wordt alsdan deze overslaande rand op den onderliggen-
den rand, die de knoopen bevat genaaid, zoodat de laatste er door bedekt wordt. De kant die het bovenge-
deelte garneert wordt afzonderlijk gebreid en er dan langs den fond van den point de diamant opge-
naaid. Men zet hiervoor 7 steken op en breit heen en weder, als volgt: 1ste toer. 3 r. (recht, omsl., mind., 2
maal omsl., 2 r. ― 2de toer. 3 r., 1 aver., 2 r., omsl., mind., 1 r. (van het 2 maal omsl. in den vor. toer zijn 2 st. ontstaan). ― 3de toer. 3 r., omsl., mind., 4 r. ― 4de toer. 6 r., omsl., mind., 1 r. ― 5de toer. 3 r.,
omsl., mind., 2 maal omsl., mind., 2 maal omsl., 2 r. ― 6de toer.
3 r., 1 aver., 2 r., 1
aver., 2 r., omslaan, mind., 1 r. ― 7de toer. 3 r., omsl., mind., 7
r. ― 8ste toer. Den
1sten st. afh., 5 st. af-kanten, zoodat het ge-tal st. weder 7 be-
draagt, 3 r., omsl.,
mind., 1 r.
Men herhaalt gedu-
rig deze 8 toeren, tot-
dat de kant de genoeg-
zame lengte verkregen
heeft. Nadat zij aange-
naaid is, garneert men de cache-maillot aan
elke zijde met 2 ge-kleurde strikken van lint en bevestigt aan elken bovensten hoek van het onderste ge-breide gedeelte een eind
van hetzelfde lint, on-
geveer 40 d. lang. De-
ze banden worden, na-
dat de cache-maillot is
aangedaan, van voren
vastgestrikt.
Coiffure à la
grecque.
Afb. No. 17 en 18.
Even als de coiffuren
in de laatste aflevering is ook die waarvan wij in dit nummer de afb. geven aan de antieken ontleend en wordt bij een zeer gekleed toilet gekozen. Ten eind dit kapsel naar den eisch samen te stellen, heeft
ken waardoor het weêrspanninge staal zich beter voegt, en de stalen
veeren bij het zitten nauw om de figuur sluiten, wat in de komedie
of in een rijtuig zeer wenschelijk is. Ons model, afb. No. 12 en 13,
is van onderen 290 d. wijd; op een afstand van ongeveer 75 d. aan
beide zijden van voren van het midden af, zijn elk der 10 onder-
ste stalen veeren met een scharnier voorzien, zoodat zij toe-
gebogen en door middel van een koord dat aan beide zijden
door de banden is gestoken, in de hoogte kunnen ge-
trokken worden, zooals men het op de afb. No. 13
ziet voorgesteld. Om dit ten allen tijde te kunnen be-
werkstelligen, wordt het koord door een kleine
split in den onderrok en in dien van het kleedje
gestoken, (deze splitten worden er te dien einde
eerst in gemaakt), aan de einden van het koord
bevestigt men een kogelvormigen knoop, op-
dat het koord niet door de split zou kunnen
schieten.
Jaquette met schoot à revers.
Afb. No. 14 en 15. Knippatr., keerz. v. h.
Supplem. No. XV, Fig. 49―53.
Bij dit jaquetje moeten wij inzonderheid op
het sierlijke fatsoen, en op het smaakvolle
garnituur wijzen. Ons model met een schoot,
waarvan de panden als revers zijn omgeslagen, is vervaardigd van
zwart grosgrain en volgens de afbeeldingen met witte guipure Cluny 2 d. breed gegarneerd. Men kan voor
het jaquetje ook cachemir, cotton silk, fluweel enz. en een daarbij behoorend garnituur nemen, het naar
goedvinden op een gekleurden rok dragen, of er dezelfde stof van den rok voor gebruiken. Uit de bovenstof en
ook van voering knipt men naar elk der fig. 49m 50 en 52 twee gedeelten en rekent bij het eerste aan den rand
van voren op een omslag 3 d. breed; verder naar fig. 51 een gedeelte, langs de dunne lijn in het midden aan-
een. Eerst wordt in de voering van den rug, naar aanwijzing op fig. 51 eene plooi genaaid, daarna spant men
de bovenstof er glad overheen, en rijgt ook de andere stukken bovenstof en voering op elkaar. Als men in den
voorkant van de voorstukken den zoom heeft gelegd, dan voorziet men het rechter, dat over het andere heen-
komt met haken, het linker met de noodige oogen en naait in beide gedeelten de borstplooien. Nu worden de
fig. 50 en 51 van 22 tot 23 met elkaar verbonden (van punt aan punt tot 23 moet de rug langs de gladde lijn
onder het zijpand vallen), daarna naait men ook de overige gedeelten volgens de overeenstemmende cijfers
aan elkaar. Het uitsnijdsel van den hals en de onderrand van de voorstukken worden met een ingeregen
koord geboord. Men voorziet het zijpand fig. 50 aan de binnenzijde, voor den revers met een lap der boven-
stof van de noodige grootte, naait daarna aan den buitenrand de voering tegen de bovenstof en slaat het zij-
pand zóó dat 28 op 28 en 29 op 29 valt naar de bovenzijde om, waardoor de stof van de gladde lijn als buiten-
ste vouw aangeduid, als een revers terugvalt. Zie de afb. No. 15. De beide gedeelten van de stof van den re-
vers fig. 52 worden in de rondte tegen elkaar genaaid
en dan op het voorstuk ge-hecht, zóó dat 30 op 30 en
31 op 31 valt. De twee helf-ten van elke mouw naar fig. 53 geknipt, moeten van 32 tot 33 en van 34 tot 35 aan
elkaar genaaid en tegen den rand van onderen aan de binnenzijde een reep taf worden gelegd. De aldus
voltooide mouw zet men, met 35 aan 35 van het voorstuk,
in het armsgat. De ceintuur bestaat uit een rechten lap der
stof 5 d. breed, met voering voorzien; zij wordt van achte-
ren in het midden op den rug vastgehecht, en aan de voor-
zijde met eene gesp dichtgemaakt. Het garnituur van kant
zal men volgens de duidelijk aanwijzing op de beide afbeel-
dingen No. 14 en 15, zonder eenige moeite op de jaquette kunnen leggen; in plaats van dit garnituur van kant, zou
men een eenvoudig belegsel van soutache, een passement met
grelots of iets dergelijks kunnen nemen.
Gebreid rokje (cache-maillot) voor jong-
geboren kinderen.
Afb. No. 16. 4. lood witte zephiwol, 224 d. gekleurd taffen
lint 3 d. breed, 2 zeer dikke stalen breinaalen.
Het vriendelijke gezichtje geeft ons de gelegenheid, aan de
eerste zorgen voor het toilet te denken, die bij jonge moeders
door het aanzijn van een klein menschenleven ontstaan; wij
vestigen de opmerkzaamheid onzer lezeressen bijzonder op
de naar de fransche wijze gebruikt wordende “cache-
maillot,” namelijk een van wol gebreiden zak, die het onder-
lijf van het kind tot aan de borst zoodanig insluit, dat de
luiers er door verborgen worden. Het kindje is op deze wijze zoo goed beschut, dat het op een naar welgevallen gegar-
neerd kussen los liggende gedragen kan worden. Deze cache-maillot onderscheidt zich op de afb. zeer duidelijk van de
overige kleeding van het kind en van het kussen, volgens het model is het van witte zephirwol gebreid, van boven met
strikken van blauw lint versierd en aan beide zijden tot het
dichtknoopen ingericht. De lengte bedraagt 32 d., de breedte
van onderen 25 d.
Aan den bovenrand van het ondergedeelte beginnende, dat
in den gewonen patentsteek wordt gebreid, zet men nog al
los 45 steken op, breit daarop 1 toer geheel recht en begint
[4 Maart 1866. 4e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 71
No. 6. Geknoopte rand voor tafelkleedjes of antimacassers.
No. 8. Stijve voering voor de ceintuur. Bij afb. No. 9.
Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No. XII, Fig. 37.
No. 4. Tapisseriesteek voor pantoffels,
reistasschen enz.
No. 5. Tapisseriesteek voor pantoffels,
reistasschen enz.