De Gracieuse 3 March 1865 | Page 6

46 DE GRACIEUSE. [3 Maart 1865. 3e Jaargang.]

stof ingenaaid koordje in het armsgat, waarbij Y van de mouw op Y in het voorstuk No. 1 moet

sluiten. De kraag die aaneen en dubbel moet

worden geknipt, wordt langs den buitenrand ge-

boord, men legt er het gepunte garnituur op en

zet hem met U op U op het voorstuk, met T op

T op den rug. Volgens aanwijzing op het knip-

patroon No. 2 zet men onder het lijf kleine zak-

jes die eerst geboord en gegarneerd zijn. de af-beelding No. 28 en 29 geven het jasje geheel

voltooid te zien.

Kapmantel (peignoir.)

Afbeelding No. 30. Knippatr. voorzijde van

het Supplem. No. II, Fig. 10—14.

Het model van den kapmantel waarvan wij

hiernevens de afbeelding geven, onderscheidt zich

door een zeer doelmatigen vorm, hij is daaren-

boven zeer élégant opgemaakt, dat evenwel door

een meer eenvoudig garnituur kan vervangen wor-

den. De peignoir uit fijn batist vervaardigd is

voorzien van een kleine pelerine en gegarneerd

met een breeden strook met kant bezet, als ook

met een geborduurd tusschenzetsel en smalle

plooitjes.

Bij het overnemen der knippatronen van het Supplement, moet men eerst de omslagen die zich op

No. 10 en 11 bevinden afzonderlijk naknippen en daarna aan het patroon vasthechten. Hierdoor ver-

schaft men zich veel gemakt. Behalve het ach-terste gedeelte van den kraag, dat naar Fig. 14 aaneen wordt geknipt, moet men naar elk der

gezamenlijke knippatronen twee gelijke stukken snijden waarbij de stof in het midden van den

mantel langs den draad moet worden genomen,

en zoo veel langer worden geknipt als het pa-

troon is, tot dat men de vereischte lengte heeft.

Ook moet men voor het regter voorstuk Fig.

10 op de twee smalle zoomen denken, voor het

linker insgelijks op twee smalle en op een 5 ½

d. breeden zoom aan den buitenrand die bij het

digtmaken van den peignoir onder het garnituur

van het regter voorstuk komt. Evenzoo moet men op de

zoomen van onderen aan den rand rekenen. Als de reepen

van het garnituur die uit een geborduurd tusschenzetsel en

smalle plooitjes bestaan, naar Fig. 10 zijn vervaardigd,

waarbij het tusschenzetsel met den geplooiden reep door mid-

del van een striknaad verbonden is, dan wordt hij aan de

buitenzijde met een smal schuin reepje geboord, men maakt

er volgens de aanwijzing op het patroon de knoopsgaten in,

en zet het garnituur met een smal schuin reepje op het

voorstuk. Nu worden de gedeelten van den rug van achte-

ren in het midden, en het voorstuk met den rug van A tot

B aan elkaar gezet. De beide helften van elke mouw die

aaneen worden geknipt en waarvan het bovenste gedeelte tot

aan het uitsnijdsel van den hals doorloopt en zoo een soort

van schouderreep vormt, worden van C tot D en van E

tot F aan elkaar genaaid, daarna legt men, in de mouw vol-

gens de aanwijzing op het knippatroon smalle zoomen of

plooitjes en zet er het vooraf vervaardigde garnituur op.

Aan dit laatste zet men nog zoo als de afbeelding het mede aantoont, door middel van een smal schuin reepje dat er wordt opgestikt een strookje, bestaande uit een reep batist rijkelijk 3 d. breed en met regelmatige plooitjes voorzien.

Rondom den buitenrand van dit strookje loopt een kantje

1 d. breed. De tot dusverre voltooide mouw zet men nu van

J tot G in het voorstuk, van F tot H in den rug. Nadat

de gedeelten van den kraag of van de pelerine zijn verbon-

den garneert men die naar Fig. 13 eveneens met plooitjes,

met een geborduurd randje en met een strookje en gaat daar-

bij op dezelfde wijze als bij de mouw te werk. Nu zet men

de pelerine met K en M op de gelijkluidende letters van

het uitsnijdsel van den hals door middel van een smal schuin

reepje, op den mantel. Verder moet men op den breeden

zoom van het linker voorstuk de knoopen zette die regt

over de knoopsgaten van het regter moeten komen en

den rand van den mantel van onderen met 2 smalle zoomen

en met een strookje voorzien. Onze abonnées zullen, ook op de

afzonderlijke borduurpatroon welke de Gracieuse geeft, voor

soortgelijke randjes eene rijke verscheidenheid vinden.

Twee tusschenzetsels, fransch

borduurwerk.

Afbeelding 31 en 32.

Deze tusschenzetsels die zeer geschikt zijn ter gar-

nering van kinderkleederen, negligés enz. worden

in fransch borduurwerk uitgevoerd. Zoo als dit op

de afbeeldingen duidelijk is te zien, moeten de

grootere blaadjes, gedeeltelijk gescheiden, dik wor-

den geborduurd, terwijl men de gaatjes cordon-

neert. Als men den zoom aan de eene zijde weg-

laat, en die met kleine festonnetjes voorziet, dan

kan men deze patronen zeer goed voor randjes of

strookjes gebruiken.

Gehaakte franje voor écharpes,

dasjes enz.

Afbeelding No. 33. Koordzijde of haakgaren.

Daar deze franje voor verschillende voorwerpen gebezigd kan worden, zoo laten wij kleur en grofte

hiervoor geheel aan de keus der dames over.

Men zet de lengte voor de franje op — voor

elken boog van den rand 52 steken — en werkt

daarover eerst een toer vaste steken; dan 1 toer

1 kettingsteek en 1 stokje; en eindelijk den laat-

sten toer 5 kettingst. 1 v. st., met de 5 kettingst. slaat men 3 steken van den vorigen toer over

zoodat het st. gedurig op de v. st. komt,

waarbij men door de beide lussen van den steek

steekt. Met deze 3 toeren is het bovenste randje

van de franje voltooid, en men werkt het ove-

rige aan de andere zijde van den opzettoer ver-

der voor.

1ste toer. In elken steek van het opzetsel 1 v. st.

2de toer. Gedurig onder de beide lussen ste-kende werkt men: * 12 v. st. in elken steek

van den vorigen toer 1 steek, 5 maal na elkan-

der 7 kettingst. in den 6den st. 1 v. st., na den laat-sten v. st. nog 10 v. st. Van * af wordt herhaald.

3de toer. * op de 9 eerste steken van den vo-

rigen toer 1 v. st., § 9 kettingst., 1 v. st., 4

stokjes, en 1 v. st., deze 6 laatste steken in den middelsten

steek van den volgenden kettingsteekboog, van § af herhaalt

men nog 4 maal; dan 9 kettingst., 8 v. st. waarvan de

eerste op den 4den steek van de volgende rij vaste steken van

den vorigen toer komt. Van * af wordt herhaald.

4de toer. * Op de eerste 6 steken van den vorigen toer

1 v. st., § 9 kettingst.; 1 v. st., 4 st. en 1 v. st. in den

middelsten steek van den volgenden kettingsteekboog; van §

af nog 5 maal herhalen; 9 kettingst., 5 v. st. waarvan de

eerste op den 4den steek van de rij vaste steken moet ko-

men. Van * af wordt herhaald.

5de toer. * Op de 3 eerste steken van den vorigen toer 1 v. st., § 5 kettingst., 1 v. st., 4 st., 1 v. st. in den middelsten steek van

den volgenden boog; van § herhaalt men nog 6 maal, bij elke

herhaling werkt men echter 9 in plaats van 5 kettingst.; dan 5

kettingst., 2 v. st., waarvan de eerste op den 4den steek van de rij

vaste steken moet komen. Van * af wordt herhaald.

6de toer. 1 v. st. op den 1sten steek van den vorigen toer, *

5 kettingst., 1 v. st. in den middelsten steek van elken ketting-

steekboog met 9 kettingst. er tusschen, dan 5 kettingst., 1 v. st.

op den middelsten st. van de rij vaste st. Van * af wordt herhaald.

7de toer. * Op de 5 kettingst. van den eersten boog haakt

men: 1 v. st., 3 st., 1 v. st., op de 9 kettingst. van de 7 volgende

bogen, 1v. st., 1 h. st., 2 st., 2 dub. st. in eenen steek, 2st.,

1 h. st., 1 v. st.; op de 5 laatste kettingsteken weder 1 v. st., 3

st. en 1 v. st. Van * af herhalen.

8ste toer. * 1 st. in den 4den steek van den vorigen toer, dus

in den voorlaatsten steek van den eersten boog; § 1 kettingst. 1

st. in den 2den steek van den volgenden boog, 3 kettingst., 2 door

3 kettingst. gescheiden st. op de beide middelste steken van den-

zelfden boog; 3 kettingst., 1 st. op den voorlaatsten steek van den-

zelfden boo, van § af nog 6 maal herhalen; dan 1 kettingst. 1

st., op d. 2den steek v. d. volg. boog, 3 kettingst. Van * af herhalen.

9de toer. In het midden van elk van de 2 digt naast elkander

staande st. werkt men 1 v. st., met 7 kettingst. er tusschen; in de

holte van elke schulp of elken boog van den rand haakt men 5 in

plaats van 7 kettingst.

Eindelijk knoopt men in elken kettingsteekboog een bosje franje

waarvan men de lengte en dikte naar verkiezing kan nemen.

No. 35. Borduurpatroon voor de reis-nécessaire. Bij Afb. No. 34.

No.33. Gehaakt garnituur met franje voor écharpes enz.

No. 31. Tusschenzetsel. Fransch borduuwerk.

No. 32. Tusschenzetsel. Fransch borduurwerk.

No. 34. Reis-nécessaire. Van binnen gezien. Verkleind. Knippatr., voorz. v. h. Supplem. No. IV, Fig. 19—24.