CONSTANCE CHORLEY. 91
DUKE zich na het genuttigde maal van zijnen stoel liet glijden, en zijn scheepje in de armen nam.
“Hij wilde zijn scheepje naar de rivier brengen als hij mag.” CONSTANCE antwoordde voor hem, ten einde raad hoe zij voor zich zelve permissie zou krijgen mede te gaan.
“Wel nu kind, neem dan uw hoed en ga met hem mede,” zeide jufvrouw STANDISH vriendelijk, “het is zoo prettig aan den waterkant, en zal u goed doen.”
Verheugd gingen zij te zamen uit, de dorpsstraat door, de kastanjeboomen waar de oude man zat, de kerk, het schoolhuis voorbij, het hek uit en door de moes- en weilanden die langs de rivier lagen. Op het onverwachts waren zij in hare nabijheid want, daar de kinderen hunnen weg door de vallei genomen hadden, had het dik geboomte alles voor hun oog verborgen; eene opening waar zij doorkropen bragt hen op eens aan haren oever, en met nadenkende blikken volgden zij de glinsterende kleine golven die zachtkens daarhenen rolden.
Het scheen of de rivier hier een eigen wereldje vormde; het was een lief hoekje, afgezonderd van alles, beschut en gevormd door de boomen, wier takken zich amphitheatersgewijze verhie-ven en zich aansloten aan die der kastanjes welker schoon groen een goed effect maakte met het blaauw des hemels. De vrolijke zonneschijn was zoo als CONSTANCE meende verdwenen; doch het hinderde niet daar dit plekje een zacht geheimzinnig licht in zich had. Het was haar of elke boom, van den noot- en kas-tanje hoog in de lucht tot den wilg en jongen abeel die de kanten versierden, ieder een zwak en teeder licht, van zich gaven. De witte knoppen aan de zwarte doorn glinsterden als paar- len, en de massa primulaveris die welig aan den kant groeiden gaven een liefelijken weerschijn, en in de rivier zelve ontston-den kleine zilveren cirkels als de forel er in opsprong om de muggen en vliegen die er boven gonsden en vrolijk speelden op te snappen. En even min als men het licht des daags hier miste, zoo ook niet zijn loflied, want de river zong onder haar stroomen, zong met hare kalme krachtige stem, en het kind zat op een steen en luisterde naar die toonen, en dacht aan een gelukkig daar henen vlietend leven, dat gesterkt werd