90 CONSTANCE CHORLEY.
KRIS, ik zou niet graag hebben dat Ligtvoet om mij wegbleef; kunnen wij het niet zamen vinden, welnu, dan maak ik plaats voor hem, want hij is uw oudste vriend.”
Nu dan zal Ligtvoet mede gaan, en ik, KRIS, sta voor zijn goed gedrag in. Ik moet nu naar Limerish, gij gaat naar de rivier als gij gedaan hebt met thee drinken: Ligtvoet en mij zult gij dan wel spoedig zien verschijnen; en hiermede vaarwel. “Goeden dag KRIS, wij zullen stellig daar zijn,” en het kind kleurde en haar gelaat verhelderd door een straal van innige blijdschap boog zij over het werk en de vingers repten zich met ijver en spoed.
Een visioen rees voor hare oogen, een visioen van de zilve- ren rivier met hare lichtgroene oevers en prettige zitjes; waar zij zou zitten naast en wandelen met KRIS heden in dan avond en waar zij voor het eerst en welligt voor het laatst, vrijheid, rust, vrede en blijdschap zoude genieten, daar weldra harde arbeid haar wachtte. Ja de vingers waren zoo handig en vlug bezig dat, toen LEENTJE met de melk voor de thee binnenkwam, de kousen gereed waren, en de kleine naaister haar kon helpen in de voorbereidselen tot dit uurtje van gezellig zamenzijn.
“Waar is KRIS,” vroeg de Landheer toen hij aan tafel ko- mende de plaats van zijnen neef ledig zag.
“Hij is gaan zien naar de nieuwe dorschmachine van Juf- vrouw DALE; er haperde iets aan en nu heeft zij om hem ge-zonden,” dus klonk het antwoord zijner vrouw.
“Ik wou dat de menschen hem aan zijn eigen werk lieten en niet deden of hij van alles verstand heeft; wat weet hij van machineriën af.”
CONSTANCE dacht dat deze maaltijd nimmer eindigen zou, en zij had gelijk, want Zaturdags duurde de thee altijd langer dan op andere dagen daar het diner dien dag, om de drukte van het kooken uit te winnen, uit brood en kaas bestond. Terwijl zij nog bezig waren zag zij de schaduwen zich reeds verlengen op den stalmuur, en de crocussen zich sluiten, en zij begon te vreezen dat de zon onder zou zijn in de vallei eer zij aan de rivier waren.
“Waar gaat dat heen jongeheer?” vroeg HUMPHREY toen