CONSTANCE CHORLEY.
XVIII.
KRIS zat op een hoek van LEENTJE’s tafeltje te kijken naar het verstellen der grijze kousen van zijnen oom, en rustig te wachten op het antwoord van CONSTANCE op zijne haar zoo verstommende vraag, toen op eens DUKE de keuken binnen-kwam met zijn scheepje in de hand en hem vroeg wanneer zij te zamen naar de rivier zouden gaan om het te laten zeilen. “O wij zullen zien, misschien wel na de thee,” antwoordde KRIS, glimlachende over de duidelijk merkbare verligting die deze stoornis aan CONSTANCE gaf, en die zij te vergeefs zocht te verbergen. “En STANCE gij gaat toch mede,” zeide DUKE goedig. “Mag mijne zuster medegaan KRIS?”
“Wel zeker.”
“En Ligtvoet?”
“Ja, Ligtvoet kan mede gaan, als uwe zuster er niets tegen heeft.”
Hij zeide dit om haar te plagen; want het meisje en de hond waren nimmer groote vrienden geweest te Sympton, daar hij haar altijd naar de beenen vloog als zij uitging. De toen waarop KRIS die woorden gesproken had, herinnerde haar dat; zij lachte even en, terwijl zij de hand ter verzoening naar Ligt- voet uitstak en zijnen bruinen poot nam, zeide zij: “och neen