De Gracieuse 1863 | Page 100

92 CONSTANCE CHORLEY.

door geloof en door vast vertrouwen op eene eeuwigheid. En bij dat lied daalden troost, rust en vrede in haar hart.

Nog niet lang zat zij daar, DUKE gadeslaande, die aan den oever heen en weder liep, toen zij een ander geluid opving; en zonder de oogen op te slaan glimlachte zij. Ja, zij wist het, het was KRIS wiens helder zuiver fluiten haar eens in de ooren had geklonken toen zij bijna onmagtig ter neder lag, en waar zij zoo dikwijls op menigen vroegen zomermorgen naar geluis-terd had voor het open raam van haar klein slaapvertrek te Lympton. Zij lachte nu zij zich herinnerde hoe nieuwsgierig zij menigmalen geweest was naar den naam van hem zie zoo zuiver en naauwkeurig fluiten kon, en hoe dikwijls zij dit gefluit ver-geleken had met die wilde, oude romancen die zij wel eens uit vaders winkel nam om te lezen en er over te droomen in hare sombere werkplaats.

“Holla hier” riep KRIS en sprong te voorschijn met Ligtvoet achter zich, “wat, zijt gij er het eerst?”

Zij zag op en maakte plaats voor hem, en daar hij moede was, zette hij zich neder, terwijl Ligvoet druipstaartende naar DUKE liep dien hij heel ver verwijderd aan den kant van de ri-vier zag. KRIS nam het scheepje dat aan hare voeten lag, en terwijl hij het bekeek en de zeilen bevestigde, begon hij op nieuw te fluiten, nu niet hard en scherp, maar zacht en gevoelig als wilde hij instemmen met het lied dat de rivier zong en met het zuchten der boomen als de wind hoor hunne jonge, frissche bladeren en krachtige takken henengaat. Ja waarlijk KRIS moet een muzikale ziel hebben, meende CONSTANCE, ofschoon zij hare gedachten niet kon uiten; zij zag hem aan met kinderlijke ver-bazing en bewondering van de bekwaamheid waarmede hij zijn fluiten zoo goed in overeenstemming bragt met het lied der na-tuur, en dit even min verstoorde als de golven met hare rus- teloze beweging of de blaauw hyacinthen met hare uitwase-mingen.

“KRIS,” zeide zij zacht en zonder hare verwonderde oogen van hem af te wenden, “KRIS ik had zoo graag dat gij dezelfde wijs eens zongt, die gij nu fluit. Zijn er woorden op?”

Hij was verrast en vroeg: “wat fluit ik?”