De Gracieuse 1863 | Page 101

CONSTANCE CHORLEY. 93

“Ik weet het niet. Het was een zacht, droevig gezang, gelijk aan het ruischen van dit water?”

“Was het dit?” Hij zette het scheepje neder, liet het hoofd op de hand rusten en neuriede het refrein van een klagelijk oud minnelied, dat CONSTANCE in vroeger tijd hare moeder menig-malen onder haar werk had hooren zingen; met rtanen in de oogen keek zij op en knikte, ofschoon het niet het air was dat hij gefloten had, maar toen glimlagchende over haren ernst, hief hij den eersten regel van dat lied aan, en zong het verder geheel door met zulk eene volle, zacht, melodieuse stem dat de kleine peppel te getroffen was om stil te zitten. Zij stond op en luisterde met gevouwen handen; voor haar was het of geheel de natuur zich vereenigde en met volle accoorden in-stemde in zijn lied. Hij gaf door zijne stem den zuchtenden wilg en krakende meidoorn den toon aan, zij vingen dien op vol en krachtig tot dat de geheele rivierwereld er van vervuld werd, hooger en hooger klommen de toonen tot boven de hoogste kastanjes, en stierven eindelijk weg in de blaauwe ruimte waar alleen de avondster nog prijkt in hare zachte schoonheid.

Ja de kleine Populier weende, want haar hart streed en verzette zich tegen den drukkenden last der zorgen, en reik-halsde met een sterk en hartstogtelijk verlangen naar verlossing. O waarom zegt gij mij dat het leven zoo moeijelijk en bitter is? Heeft het werkelijk zooveel schoonheid en zooveel blijdschap in zich als ik nu en dan dat gevoel, waarom moet ik die vreugde en dat genot dan altijd missen? Zoo klonk eene stem vragend in haar.

Zoo als zij daar stond geleek zij veel op den boom wiens naam zij droeg, en de stem van KRIS had op haar dezelfde uit-werking als de zuiden wind wanneer deze door zijne takken waait, en ze schudt en buigt en onder zijn heen en wede zweepen op zijne vleugelen de liefdelijke geuren van hooi en klaver brengt, en den boom doet treuren en verlangen naar het voor hem on-bereikbare al het schoone dat daar bloeit aan zijnen voet.

KRIS had zijn lied geëindigd, de laatste toonen stierven weg over de rivier, maar de kleine gedaante stond onbewegelijk. Hij had haar al den tijd dat hij zong bespied, en haar met hare