De Gracieuse 1863 | Page 94

86 DE MAAND MEI.

Den 10den Mei 1662 werd eene vrouw geboren, welker huwelijk op de lotge-vallen van het Oranje-huis eenen belangrijken invloed heeft uitgeoefend: MARIA, dochter van JACOBUS II, koning van Schotland. Ofschoon hare ouders tot de R. C. kerk behoorden, werd zij echter in de Protestantsche belijdenis opgevoed en telde slechts 15 ½ jaar, toen zij de gemalin werd van WILLEM HENDRIK, Prins van Oranje, die in het jaar 1672 tijdens den grooten nood onzes vaderlands tot Stadhouder was verheven. Eenige jaren later, in 1685, viel haren vader de kroon van Engeland ten deel. Maar daar deze zijn kerkgeloof en eene geheel andere staatsregeling trachtte in te voeren, nam Engeland het besluit, zich aan JACOBUS’ geweldenarijen te ontrekken, daartoe de hulp der Nederlandsche republiek in-roepende, onder aanbod der kroon aan Prins WILLEM III en zijne gemalin. Daar JACOBUS den troon lafhartig verlaten had, vertrok het doorluchtig echtpaar naar Engeland en beiden werden den 13den Februarij 1689 gekroond. MARIA overleed den 28sten December 1694 aan de kinderpokken. Zoo er al iets overdrevens mag zijn in de woorden van zekeren geschiedschrijver: “deze vorstin had alle vol-maaktheden, die een mensch kan bezitten,” – toch is het waar, dat zij de hoogste achting verdiende en de innigste toegenegenheid harer onderdanen bezat. Achtbaar en minzaam, wist zij zich ieders toegenegenheid te verwerven, zonder ooit af te dalen tot eene der koningin niet voegende gemeenzaamheid; godsdienstig zonder overdrijving, goedhartig zonder zwakheid, milddadig, maar met oordeel, opregt zonder onvoorzigtigheid, was zij het voorwerp evenzeer van eerbied als van liefde, temperende door zachtzinnigheid de strouve manieren van haren ge-maal. Jammer, dat zij hare deugden niet kon overplanten op haar kroost – zij overleed kinderloos, gelijk dan ook met haren gemaal de regt nederdalende lijn der afstammelingen van den grooten Zwijger uitstierf. Ons koninklijk Huis stamt af van JOHANNES VAN NASSAU, jongeren broeder van Prins WILLEM I.

Den 17den Mei 1772 overleed CATHARINA, weduwe van PETER DEN GROOTE, keizer van Rusland. Zij was de dochter van eenen Zweedschen kwartiermeester en heette eigenlijk MARTHA RABE. Na den dood harer moeder werd zij door eenen Zweedschen predikant met diens kinderen opgevoed en huwde vervolgens met eenen Zweedschen dragonder. Zij viel bij de inneming harer woonstad in handen van den generaal SCHEREWETJEW, die haar bij de verdeeling van den oorlogsbuit aan den generaal BAUER overliet. Later werd zij dienstbode bij Prins MENTZIKOFF, waar PETER haar leerde kennen. Hare buitengewone schoonheid boeide hem, en hij nam haar eerst heimelijk, later openlijk, tot zijne gemalin. Als keizerin werd zij in het jaar 1724 te Moskau gekroond. Door bevalligheid en innemendheid, maar ook door scherpzinnigheid en oordeel verbond zij den keizer dermate aan zich, dat hij haar in alles raadpleegde. Zelfs werd zij door hem tot erfgename van zijnen troon benoemd; tot aan haren dood regeerde zij met behulp van ha-ren gunsteling MENTZIKOFF, doch helaas! uitspattingen van onderscheiden aard bezoedelden haren laatsten levenstijd. Zij bereikte slechts 38 jaren.

Doch – wij zijn nog pas ruim ter helfte der maand en hebben toch reeds