DE MAAND MEI. 87.
onzen tijd verpraat, of eigenlijk onze ruimte verschreven, zoodat wij alleen nog kunnen aanteekenen, dat den 23sten Mei 1144 overleden is PETRONELLA, weduwe van graaf FLORIS II, stichteres der abdij te Rijnsburg, en dat den 30sten Mei 1431 het doodvonnis is voltrokken aan JOHANNA D’ARC, meest bekend onder den naam van de Maagd van Orleans, over wij wij later in een afzonderlijk artikel het een en ander hopen te zeggen.
NIEUWE BOEKEN.
Wij staan al weder wanhopig stil nu onze pen deze bladzijde genarderd is; want waarlijk nieuwe boeken, die daarbij tevens geschikte dameslektuur zijn (dat wil zeggen?) – wij kennen er op ’t oogenblik geene, ten minste geen oorspronkelijk Hollandsche. Engeland levert op dat terrein steeds veel stof, en dikwijls ook zeer goede stof; ELIOT, YONGE, GASKELL, en nog verscheiden andere zijn verdien-stelijke schrijfsters, in wier romans het aangename en het nuttige regt gelukkig worden vereenigd. Frankrijk is schier onuitputtelijk in romans; maan, op enkele uitzonderingen na is het, op zijn zachtst genomen, tijdverlies om ze te doorlezen: de stijl is meestal boeijend, sierlijk en bloemrijk, maar dat fraaije omkleedsel dekt nu eens een armzalig skelet; dan weder, erger dan dat, de afzigtelijkste ondeugden, die smaakval gedrapeerd en gesluijerd vaak door jonge harten en warme hoofden niet altijd op hare regte waarde worden geschat. Maar om terug te keeren van den kleinen zijweg, dien wij onwillekeurig insloegen, wij vragen dezen keer een oogenblik uwe aandacht voor geen nieuw, misschien zelfs voor een betrekkelijk oud boekje: poëzij van den dezer dagen zoo veel genoemden en besproken VICTOR HUGO. Onder den titel van “Les enfants, (le livre des mères)” wordt u eene bloemlezing geboden van de beste verzen uit verschillende werken van den rijkbegaafden man. Zoo krachtig en geducht, zoo reusachtig groot als wij HUGO zien, waar hij in zijne proza werken optreedt als strijder tegen maatschappelijk onregt en misbruik, als verdediger van burgerlijke vrijheid, even zacht, beminnelijk en fijngevoelend ontmoeten wij hem in deze schoone bladzijden, geheel gewijd aan huiselijk- en familieleven; zoo als de voorrede er van zegt, “les enfents en sont le sujet, les mères en sont le but.” Bijna elk vers is een juweeltje van gemoedelijkheid en fijn gevoel, zoodat het moeijelijk wordt het eene boven het andere te noemen; ons trof bijzonder “le prière pour tous” en “à Villequier” het laatste en meest treffende van de schoone verzame-ling, waarin de dichter zijne smart ontboezemt na het verlies zijner vroeg ont-slapen dochter. Tot aanbeveling een paar coupletten uit dit aandoenlijk dichtstuk.