DE MAAND MEI.
Daar staat zij oor onzen oogen, de liefelijke Bloeimaand, in lentedos ge- tooid, vol jeugdige levenskracht en levenslust, de lokken bedekt met prachtige bloemen! Wel mag zij den naam “Bloeimaand” dragen, want overl vertoont zich in dezen tijd des jaars de schitterendste bloemenpracht en de lucht is ver-vuld met de heerlijkste geuren. Wij zelven, wij gevoelen ons als verjongd te midden der verjongde natuur; het is als stroomt nieuw leven door de aderen ook van den vergevorderde in jaren, en van geheeler harte stemmen wij in met den hooggestemden Meizang van den dichter . . . . alles natuurlijk op de dagen als de schrale oostenwind ons niet doet betreuren dat de onbarmhartige schoonmaak de lekkere kagchels en haarden heeft weggeruimd, of de snerpende koude ons vree-zen doet dat een nijdige nachtvorst de ijskoude hand zal leggen op groen en bloem, zoo schoon en zoo geurig! Wij vergeven het den barschen November, als hij den wind loslaat over de dorre velden en de straten verandert in rivier-tjes – de grimmige Slagtmaand blijft in zijn karakter; hij vertoont zich zooals hij is en geeft zich voor geen koopman in bloemruikers uit. Maar van die blond-lokkige jonge dame die zich Bloeimaand noemt, verwachten wij geen oog, tra-nende van de kou, geen bibberend staren op de plaats, waar nog in de vorige maand het vriendelijke vuurtje brandde! Wij zeiden het reeds in Maart: “het zijn allen geen koks, die lange messen dragen.” Doch iets moeten wij der Mei-maand toegeven, er haar zelfs dankbaar voor zijn, namelijk dat zij nu en dan den al te weligen groei tempert, want zonder dat zou alles uit zijne kracht groeien en van veel niets teregt komen. Gij ziet dat, waarde vriendinnen, dik-wijls aan uwe rozeboompjes en andere gewassen in den winter. Al te warm ge-plaatst komen er slappe waterachtige lange lijzen van takken en uitspruitsels, die de beste sappen wegnemen zonder iets op te leveren. Zoo zien wij dan ook hier, dat wij niet al te voorbarig de goede moeder natuur moeten veroordeelen. Het zou een dwaas bedillen van den wijzen en liefderijken Schepper zijn!
De almanak zegt ons, dat onze R. C. medechristenen in deze maand de ge-dachtenis onderhouden van DYMPHNA (15), ITISBERGA (21) en PETRONELLA (31). Ik heb de eer niet, die dames te kennen en weet noch goed noch kwaad van haar. Wij laten ze dus met uw goedvinden stillekens rusten, om een oogenblik te verwijlen bij MONICA (4), de moeder van den kerkvader AUGUSTINUS, een der grootste lichten van zijnen tijd, wiens denkbeelden eenen grooten invloed hebben uitgeoefend op de ontwikkeling der godgeleerdheid in de Westersche of Latijnsche kerk, tot welke de R. Catholieken en de Protestanten behooren. Het is eene op-merking, die zich veelzins in de kerkelijke geschiedenis bevestigt, dat mannen, die uitmuntten in christelijke ontwikkeling, zoo verstandelijke als zedelijke, on-eindig veel verpligt waren aan de opvoeding, die zij bepaald van hunne moeders