De Gracieuse 1863 | Page 87

BROODKRUIMELS.

III. DE HEER IS GETROUW.

Wanneer de herfst het gebladerte rood verwt, is het mij immer zoo om het hart, als wanneer het avondrood den hemel vergult en ons zegt, dat de dag voorbij is en de zon ter ruste gaat. De roode bladeren zeggen ook dat de lente verdwenen is en de zomer en herfst voorbij zijn en dat de nacht nabij is. En wanneer het dorre loof ruischt onder de voeten van den eenzamen reiziger, de naakte takken van het woud zich als vleeschlooze armen hemelwaarts strekken als klaagden zij hunnen nood over de geeselslagen van den stormwind, en ik dan be- denk hoe zacht en ongemerkt de lente komt, de blaadjes ont-vouwt omzigtig als eene moeder die het wiegekleed optilt om naar het slapende kind te zien, de aarde vaneen schuift om de jonge kiemen door te laten of de eerste bloemkelkjes ontsluit – dan is het mij steeds alsof ook de natuur er ons op wijzen wil, hoe stil en ongemerkt het leven komt en hoe luidruchtig de dood zich aanmeldt met ijzeren tred en overal zelfs in het zachte gras en in den harden steen zijne sporen achterlaat.

En het was ook herfst en de herfstspin scheen de stemming van den schrijver te deelen; het vallende gebladert maakte haar treurig en toen er nog weêr schoone, warme en zonnig dagen kwamen, hoopte zij waarschijnlijk op eene nieuw lente en wilde daartoe medewerken en toog des nachts aan het werk, en liep en spon en wendde daarbij al hare krachten aan; en toen het morgen werd had zij alle heggen omsponnen, opdat er geen stoppelbeld zelfs blonken onder het zijden net, dat daarover was uitgespreid, als wilde de kunstrijke en ijverige spinster alom den kouden nachtdaauw weren. Misleiden zich ook niet vele menschen, die de afscheidsrust vóór het sterven als een nieuw levensbegin beschouwen en den herfsttijd voor eene lente houden, totdat in plaats van bloesems de donzige sneeuwvlok-ken als lijkkleed over de aarde en over het hart liggen. Ziet