De Gracieuse 1863 | Page 86

BEKENTENIS.

Raadt gij niet waarom, Mevrouw,

Ik uw bijzijn staag ontvlucht?

Ik bemin en – vrouwenmagt

Is voor ’t minnend hart geducht.

Schoon toch zijt ge – en bevallig;

U aanbidt al wie u ziet.

Onrust heeft zoo bittre tranen:

Weenen wilde ik niet.

’k Weet – mijn éénge volgt mij trouw

Waar ik ooit mij moog begeven;

En dat hart is mijn geluk,

Buiten hem geen heil, geen leven.

Wat vermag zoo schuchtre liefde

Als me uw oogen schittren zien?

Siddring trilt dan door de ziele:

Siddren wilde ik niet.

In die schare van aanbidders,

Wierook zwaaijend voor uw schreen,

Wat toch wierd mij daar het leven

Zóó vergeten – zóó alleen?

Zou niet hij dan – onmeedoogend

Bij mij bitter zielsverdriet –

Vragen: zijt ge niet gelukkig?

Liegen wilde ik niet.

Voer, bij al dat zinbetoovren,

Nimmer door ’t verwonnen hart,

Zelfs te midden van de feestvreugd

U een siddering van smart?

Teêr- of schoonheid zij ons wapen

O! de liefde brengt ons de ziele –

Sterven wilde ik niet.

(Naar het Fransch van Mme. DESBORDES-VALMORE.)