BEKENTENIS.
Raadt gij niet waarom, Mevrouw,
Ik uw bijzijn staag ontvlucht?
Ik bemin en – vrouwenmagt
Is voor ’t minnend hart geducht.
Schoon toch zijt ge – en bevallig;
U aanbidt al wie u ziet.
Onrust heeft zoo bittre tranen:
Weenen wilde ik niet.
’k Weet – mijn éénge volgt mij trouw
Waar ik ooit mij moog begeven;
En dat hart is mijn geluk,
Buiten hem geen heil, geen leven.
Wat vermag zoo schuchtre liefde
Als me uw oogen schittren zien?
Siddring trilt dan door de ziele:
Siddren wilde ik niet.
In die schare van aanbidders,
Wierook zwaaijend voor uw schreen,
Wat toch wierd mij daar het leven
Zóó vergeten – zóó alleen?
Zou niet hij dan – onmeedoogend
Bij mij bitter zielsverdriet –
Vragen: zijt ge niet gelukkig?
Liegen wilde ik niet.
Voer, bij al dat zinbetoovren,
Nimmer door ’t verwonnen hart,
Zelfs te midden van de feestvreugd
U een siddering van smart?
Teêr- of schoonheid zij ons wapen
O! de liefde brengt ons de ziele –
Sterven wilde ik niet.
(Naar het Fransch van Mme. DESBORDES-VALMORE.)