DE ONTDEKKING VAN DE HEMELSBLAAUWE GROT. 75
Het was de mond van zulk een laag gewelf dat men het on-mogelijk zou geacht hebben, er in te komen. NICÉ naderde zoo voorzigtig dat men zien kon, dat zij, hoe gemeenzaam de togt haar ook ware, dien niet van gevaar ontbloot achtte. GAëTAN die voelde hoe het ranke vaartuigje als door een storm geslingerd werd, kon de begeerte niet weerstaan te zien wat er rondom hem voorviel. Gedurende een oogenblik bespeurde hij den hemel en zag vervolgens niet dan eene rots welke op zijne borst scheen te drukken. Door schrik aangegrepen en zich zijne ongehoorzaamheid verwijtende, sluit hij dadelijk zijne oog-leden weder en beveelt zich den heiligen Constant, de bescherm-heilige van het eiland, aan. Al dien tijd scheen de boot voort-teglijden, doch veel zachter, want daar waar zij zich toen bevonden, werd zij als op een meer zacht en kalm bewogen. Nu zeide NICÉ tot haren neef: “Wij zijn er, sta nu op en zie rond.”
GAëTAN uitte een kreet van verbazing en bewondering: zij bevonden zich in eene prachtige grot.
“Men verbeelde zich een hemelsblaauw 1) gewelf, als had het Gode behaagt uit een deel van het uitspansel zich eene tent opteslaan; water zoo vloeijend, doorzigtig en zuiver dat men op verdikte lucht scheen te drijven. Boven zich, aan het gewelf hangende dropsteenen, als omgekeerde pyramiden; op den bodem goudzand vermengd met zeeplanten, langs de wan-den, welke door het water bespoeld worden, koraaltakken met wonderlijke, schitterende takjes. Aan de zeezijde eene stip, eene ster, waardoor het schemerlicht heendringt dat dit tooverpaleis verlicht; eindelijk, aan de tegenovergestelde zijde, eene soort van verhevenheid gelijkende op den troon eener prachtlievende godin; welke een der wereldwonderen tot hare badzaal had gekozen 2).”
GAëTAN zag met de grootste verrukking rond en vestigde toen
1) Men zegt dat deze fraaije kleur ontstaat doordien bijna al het licht dat in de grot dringt, door het water gaat.
2) ALEXANDRE DUMAS, “le Speronare.”