74 DE ONTDEKKING VAN DE HEMELSBLAAUWE GROT.
haren man . . . Zal ik u bovendien alles bekennen? ik gevoel nu hoe moeijelijk het is, anderen dan u, den geheelen omvang van mijn verdriet mede te deelen; men zou kunnen denken, dat ik niet om CYPRIENNE maar om haar vermogen treur . . . . en toch is het om haar alleen. Sedert langen tijd heb ik het mij als eene zekerheid voorgesteld dat ik haar echtgenoot zou worden! Voor die toekomst had ik zooveel plannen gemaakt! zooveel luchtkasteelen! Wat zal er van mij worden?”
“Maak u zoo bedroefd niet, mijn jongen! gij zijt altijd goed jegens mij geweest, thans zal ik u daarvoor beloonen. Ik zal u een geheim toevertrouwen dat u vermogen zal verschaffen, en bij gevolg elk voorwendsel uit den weg ruimen om CYPRIENNE u te weigeren.”
“O, tante! zoudt gij een schat gevonden hebben?”
“Stil . . . laten wij ons haasten, de dag breekt aan, daarvan moeten wij gebruik maken. NICÉ keerde naar haar bootje terug, liet GAëTAN er instappen en begon de bogten van het eiland naar den kant van Napels te volgen. Weldra kwam men op eene plaats waar de golven met kracht tegen de rotsen sloegen. GAëTAN wilde toen het bestuur van de boot op zich nemen.”
“Laat dat maar aan mij over,” zeide NICÉ, “en wees onbe-kommerd, ik kom hier niet voor de eerste maal en bovendien kan ik zwemmen, zoo goed als . . . . Maar gij kunt misschien beter zien; zie eens naauwkeurig of gij geen visschers of zee-lieden in onze nabijheid ziet.”
GAëTAN stond op en verzekerde na naauwkeurig rongekeken te hebben, dat er niets te zien was.
“Ga dan op de bank in de boot liggen,” hernam NICÉ, “en doe uwe oogen toe, ten einde aanstonds het schouwspel, dat zich aan u zal voordoen, des te beter te genieten. Rigt u vooral niet op, gij zoudt gevaar loopen uw hoofd te verbrijzelen.”
De verwonderde GAëTAN dacht op dit oogenblik aan de be-schuldiging, welke zijner tante werd ten laste gelegd, maar deze gedachte verdween even spoedig. Hij gehoorzaamde en strekte zich op de bank der boot uit, toen stuurde NICÉ om eene rots-punt heen en rigtte zich naar eene zwarte kringvormige ope-ning, welke zich naauwelijks boven de golven scheen te verheffen.