76 DE ONTDEKKING VAN DE HEMELSBLAAUWE GROT.
zijne blikken op NICÉ alsof hij haar vragen wilde of hij zich niet door een droom of eene begoocheling had laten misleiden. Na hem eenigen tijd aan zijn bewondering te hebben overge-laten, zeide NICÉ tot hem: “Dit is de ontdekking welke ik gedaan heb bij het zoeken naar zeegewassen; dit de schuiplaats waarheen ik mij gedurende zes jaren heb teruggetrokken. Ik heb er vreedzaam geleefd, zoo gelukkig als een van de wereld afgezonderd wezen zijn kan. Ik dankte den Hemel die mij deze onbekende schuilplaats geopend had; ik was er trotsch op te weten: dat er een geheim bestond tusschen God en mij en dat Hij mij vergund had mijne blikken te vestigen waar, van de schepping af, geen andere dan de Zijne waren doorgedron-gen. Het kwam mij voor dat ik te midden van al deze wonde- ren, welke slechts voor mij alleen bestonden, der godheid nader was dan de andere schepselen, en dit denkbeeld verhief mij in mijne eigen oogen. . . Maar die trotsche zelfvoldoening sta ik gaarna af. Want als ik het leed dat ik verduren zal, wanneer ik mij op nieuw blootgesteld zie aan vervolgingen, vergelijk met dat ’t welk ik zou gevoelen, wanneer ik wist dat gij ongelukkig waart, begrijp ik dat ik het zwaarste van alles nog niet heb gevoeld.”
“O, mijne weldoenster!” riep GAëTAN uit, “zoudt gij denken dat ik u weder zal laten vervolgen! ik die toen gij mij verliet, reeds in staat was om u te beschermen! Neen zeker niet, gij zult bij ons de schuilplaats vinden welke ik u had meenen aan te bieden en daar even vreedzaam leven als in deze onbekende grot.”
“Laat ons thans niet aan mij denken; kom een tweede ge-deelte van dit hol bezien, dat wel minder fraai is dan het eerste, maar ’t welk gij ook moet kennen.” NICÉ roeide de boot voort tot aan eene soort van landingsplaats in het midden aan de regterzijde van het hol, en liet GAëTAN in een ander ge- welf gaan dat zich drie voet boven den spiegel der zee verhief en zich meer dan 200 voet uitstrekte met onmerkbare verhoo-ging. Achteraan werd de warmte ondragelijk.
Toen zij in de grot terugkeerden bemerkte GAëTAN dat er op twee of drie plaatsen eene aanzienlijke hoeveelheid zoet wa-ter doorsijpelde.
“Ja,” zeide NICÉ “maar men zou hier van honger kunnen