72 DE ONTDEKKING VAN DE HEMELSBLAAUWE GROT.
“Help, help!”
Helaas, alles was vruchteloos, AGATHA leefde niet meer; zoo-veel aandoeningen hadden haar gedood.
II.
Eene maand na deze gebeurtenis naderde een bootje bij het aanbreken van den dag den over, op eene plaats waar de zee minder onrustig was den elders door den krans van rotsen, welke het eiland omringen; daar was eene bogt die eene kleine baai vormde waar het bootje binnenliep; toen sprong de per-soon welke het bestuurde er uit en stapte aan wal.
Het zou moeijelijk geweest zijn te raden tot welk geslacht deze gedaante behoorde, die noch de kleeding der vrouwen, noch die der mannen van Capri droeg; een bruine mantel om-hulde haar en de kap van dien mantel bedekte haar gelaat ge-heel. Zij begaf zich naar een der paleizen van TIBERIUS dikwijls rondziende of er zich niemand op den weg bevond; in het midden van den bouwval scheen hare vrees te verdwijnen; bij zekere galerij haalde zij eenige steenen weg en drong door in een oude kamer wier bestaan den nieuwschierigen ongetwij-feld onbekend was, want er bevond zich eene soort van huisraad welks rangschikking zij in de war zouden gebragt hebben: eene groote menigte schulpen, zeegewassen, eenige bakken met bloe-men en zelfs verscheidene boeken. De persoon die binnengetre-den was, wierp nadat zij eene lamp had aangestoken een’ on-derzoekenden blik over al deze voorwerpen en zeide tot zich zelve: Alles is in behoorlijken toestand, GAëTAN verflaauwt niet in zijne zorgen. Terwijl zij zoo sprak, legde zij haren mantel af en vertoonde het zonderlingste schepsel dat de natuur immer vormde. Niet dat deze vrouw terugstootende gelaatstrekken had, in geenen deele; maar hare oogen, haar mond, in een woord alle deelen van haar gelaat waren zonder eenige evenre-digheid; hare beide wenkbraauwen noch hare oogen hadden naauwkeurig dezelfde kleur; hare armen en handen zouden, af-zonderlijk genomen, een’ beeldhouwer tot fraaije modellen heb-ben kunnen strekken, maar de regterzijde was langer dan de