DE ONTDEKKING VAN DE HEMELSBLAAUWE GROT. 71
heeft zich niet laten afschrikken door de armoede van CYPRIENNE of door den meerderen last, welke eene oude moeder die bijna niets meer kan werken, hem zou veroorzaken, dit is eene har-telijkheid die mijne dochter noch ik ooit zullen vergeten.”
Deze woorden stelden GAëTAN gerust, wiens vrees gewekt was door de looze blikken van LEONARD. In de vervoering zijner dankbaarheid bood hij aan AGATHA in zegepraal naar het terras te dragen, waar men den maaltijd had gereed gemaakt. Dit voorstel word met levendige toejuiching aangenomen. Men nam de leuningstoel op waarop AGATHA zich had nedergezet en kwam onder daverend gejuich voor het tuinhuis aan. Daar was eene tafel aangerigt voor de bloedverwanten der verloofden, de ove-rige gasten vleiden zich op het gras neder.
De visch welke GAëTAN dien morgen gevangen had, de kwar-tels die in dat jaargetijde uit Afrika overkomen en vermoeid van den reis bij duizenden op het eiland nedervallen, maakten met de vruchten uit den tuin de hoofdgeregten van den maal-tijd uit. Bovendien had men er Caprischen wijn in witte gla- zen flesschen welke met ruikers gesloten waren.
AGATHA was verheugd maar de ondervonden schok had haar al hare krachten ontnomen. GAëTAN en CYPRIENNE zagen haar bezorgd aan. Dit bemerkte AGATHA en veinsde tot hunne ge-ruststelling verdubbelde vrolijkheid; en toen de maaltijd geein-digd was, wilde zij zelfs dat men op nieuw zou gaan dansen.
Men schoof de tafel weg, nam de muziekinstrumenten weder ter hand, maar een somber voorgevoel scheen zich van aller geest te hebben meester gemaakt. Op het oogenblik waarin de beide verloofden, in het midden van een’ grooten kring ge-vormd door hunne vrienden, het bal met eene tarantella gingen openen, bragt AGATHA hare hand aan het voorhoofd, zeggende: “O, kinderen, kinderen, komt toch bij mij!” Zij nam hunne handen, legde ze in een, en fluisterde terwijl zij haren schoon-broeder aanzag: “Ik zegen en vereenig u . . . Mog zij even ge-lukkig leven als ik sterf!”
De ontsteltenis van CYPRIENNE was hevig. Zij hief het voor-over gebogen hoofd harer moeder op, zag haar aan en door den vreeselijken slag getroffen riep zij uit: