68 DE ONTDEKKING VAN DE HEMELSBLAAUWE GROT.
Weet gij niet, dat zij, indien zij eene tooveres ware, eene goede zou wezen? Maar zij is het volstrekt niet. Al het vreemde van haar gedrag ontstaat uit de vervolgingen waaraan haar zonderling voorkomen haar blootgesteld heeft.”
“Het is mogelijk; zelfs beken ik, dat mij, toen ik klein was en gij mij aanmoedigdet u naar haar te vergezellen, nimmer eenig leed overkomen is, integendeel zij gaf mij bloemen en schelpen; maar het waren dikwijls schelpen die niemand op ons eiland kende, men zou gezegd hebben dat zij uit eene an-dere wereld afkomstig waren . . . En bovendien: eene vrouw die altijd alleen wil zijn, die zich graag te midden der rotsen op- houdt en die vlugt op het zien van een menschelijk wezen, is iets vreemds.”
“Dat komt omdat die menschelijke wezens haar gruwelijk gekweld hebben door te lagchen en zich te vermaken met de wreedheid der natuur te haren opzigte. Wat heb ik die arme NICÉ niet dikwijls bitter zien schreijen, als zij om beleedigenden spot te ontwijken, ver van alle zamenleving had moeten vlug-ten! Hoe jong ik toen ook was, wekte zij altijd mijn medelij- den op, zoodat ik om bij haar te blijven en haar te vertroos- ten, weigerde deel te nemen aan de spelen mijner makkers. Zij was zoo goed! Zij betoonde mij zooveel hartelijkheid! Zij ver-dedigde mij zoo krachtig als ik, arme wees, onderdrukt werd door de kinderen van den bloedverwant bij wien ik opgevoed werd! O, GAëTAN! zeide zij dikwijls tot mij in antwoord op de liefkozingen waarmede ik poogde hare neerslagtigheid te verdrij-ven: uwe liefde boeit mij aan het leven; zonder u ware ik reeds lang van verdriet gestorven. Om haar verdriet af te leiden be-gon NICÉ de natuur, de bloemen, de planten, de schelpen, de steenen, de aarde te bestuderen. . . . Wat hare middelen van bestaan betreft, gij weet dat eene liefdadige vrouw op het land haar een klein jaargeld toelegt. Gij ziet dus dat daaronder geene tooverij schuilt.”
“Maar waarom heeft NICÉ u willen verlaten?”
“Zoolang hare zorgen en hare bescherming voor mij noodza-kelijk geweest zijn, heeft zij zich blootgesteld aan bespotting en plagerij; maar toen zij zag dat ik op vijftienjarigen leeftijd