De Gracieuse 1863 | Page 75

DE ONTDEKKING VAN DE HEMELSBLAAUWE GROT. 65

wij koorn kunnen zaaijen? Mijn hemel! hoe zullen wij zooveel schatten gebruiken! . . . Maar wat scheelt er toch aan GAëTAN? wat maalt u door het hoofd? hoe zijt gij zoo neerslagtig?

“Ach CYPRIENNE, dit alles is heerlijk, maar gij hebt nu zoo- veel vermogen gekregen, dat ik begin te vreezen dat uwe moe-der omtrent mij van gevoelen zal veranderen. Toen ik u mijne hand aanbood, was ik eene goede partij voor u; maar nu zijn de rollen verkeerd en wie weet of AGATHA als zij de wisse- ling van haar lot verneemt. . . .

“O mijn vriend wat zijt gij onregtvaardig jegens mijne moe-der! weet gij wat zij tot mij zeide toen zij besloot een lot te nemen voor de som, die zij in drie maanden bespaard had?” “Ik acht deze zes callins wel verloren, maar toch wil ik de kans niet laten voorbijgaan om GAëTAN te vergoeden wat hij voor ons gedaan heeft. Wat zou hij blij zijn als ik tot hem kon zeggen: Gij, de eigenaar van eene groote fraaije boot, hebt u niet laten afschrikken door de armoede van CYPRIENNE, de arme lintwerkster; welnu wij zullen u op onze beurt rijk maken.”

“Heeft AGATHA dat gezegd? Is dat stellig waar?”

“Dat bezweer ik u.”

“Dan was het dwaasheid mij te verontrusten.”

“Wel zeker, zoowel als ik hebt gij reden om blij te zijn.”

En weder gaan beiden rondloopen om geen hoekje grons, geen grasscheutje ongezien en onbewonderd te laten. De plan-nen tot versiering van de plekjes waar zij verblijf zouden hou-den, werden niet vergeten.

“Hier zullen wij een bank plaatsen voor moeder; daar zullen wij bloemen kweeken om er haar een ruiker van te geven.”

“Wat mij het meest in onzen tuin bevalt,” zeide GAëTAN, “is dat hij naar den oever afhelt, dat er aan dien kant rotsen zijn en dat wij mijne beste tante NICÉ eene schuilplaats zullen kunnen aanbieden.”

CYPRIENNE beefde en trad een paar schreden achteruit: “Hoe,” zeide zij verschrikt, “gij zoudt uwe tante bij ons willen laten inwonen?”

“Och kom,” zeid GAëTAN, “zijt gij nog bang voor haar?