DE ONTDEKKING VAN DE HEMELSBLAAUWE GROT.
Het eiland Capri, dat 24 mijlen in zee tegenover Napels ligt, bestaat bijna geheel uit één berg, Solara genaamd, welks top men bereikt langs een trap van meer den 500 in de rots uitgehouwen traden. Van dezen berg bespeurt de reiziger, als hij zich naar Napels wendt, vele steden welke in de oudheid beroemd waren, of wel de plaats waar zij zich eertijds verhie-ven. Het eiland zelf is bedekt met de bouwvallen van de twaalf paleizen van TIBERIUS, den vuurtoren welken hij oprigtte en de boogen waarmede hij den eenen bergtop aan den anderen liet verbinden, om den weg gelijk te maken. Capri vertoont ook vele natuuschoonheden; het wordt bijna in zijn geheelen omvang doorsneden van vier grotten van onmetelijke diepte, en sedert veertig jaren bewondert men er eene vijfde van bij-zonderen aard, wier ontdekking het onderwerp van dit ver- haal zal zijn.
Op het oogenblik waarmede het begint doorwandelen twee bewoners van het eiland, verloofden, onder het uiten van vreugdekreten een klein eigendom, dat door het zonderlingste toeval de bruidschat van het meisje geworden was.
Een vreemdeling die op het punt stond Capri te verlaten, had het voornemen opgevat den grond, welken hij bezat, in verscheidene deelen te verdeelen en die afzonderlijk te verloten. De moeder van CYPRIENNE had op aanraden van haren schoon-broeder een lot genomen op een dezer deelen en geraakte door een buitenkansje uit diepe armoede tot een stand, die, naar den staat waaruit zij afkomstig was, aanzienlijk kon genoemd worden.
“Hoe!” zeide CYPRIENNE, “behoort dat alles aan ons, deze tuin, die wijnstokken, die boomgaard en dit stuk gronds waarop