CONSTANCE CHORLEY. 63
zijn harigen hond Ligtvoet bij zich. KRIS ging zitten op een hoek van LEENTJES tafeltje en na nog een oogenblik met Ligtvoet gespeeld te hebben, boog hij plotseling voorover en zag in het kleine, bleeke, bevreesde, op de handen gebogen gelaat, en zeide kortaf:
“CONSTANCE CHORLEY, ik verlang te weten waarom gij zeidet dat uw vader dood is?”
DE DOOD VAN EEN ROODBORSTJE.
Voor het landhuis dat ik bewoon verheft zich een fraaije wilg, welks sierlijk naar alle zijden uitgebreide takken zich bij elke lente als omkleeden met een hulsel van bloemen, wier zoete geur de lucht vervult rond den groenenden boom en doordringt tot in mijne kamer door het openstaande venster. Onder het digte gebladert azen de bijen op buit; haar dof gegons wordt overstemd door de vrolijke toonen van tallooze vogels. Hoe gaarna volgt mijn oplettende blik de gewoonten van dit ge-vleugelde volkje: de basterdnachtegaal maakt jagt op kleine vliegje; de mees staakt eensklaps zijn snelle vlucht, blijft een oogenblijk als onbewegelijk hangen in de lucht, om daarna met drift neer te schieten op de lang beloerde prooi; de vink vol vreugd over de eerste schoone dagen stemt zijne schetterende stem tot lustige fanfaren om den aftogt des winters te vieren. Alles is geur, beweging, blijdschap onder de frissche en welrie-kende takken van den wilg. De vorige lente had ik een paar roodborstjes opgelet die naar een zekeren plek van den boom strootjes en mosvlokjes heendroegen; het was gemakkelijk daar-uit op te maken dat de twee lieve vogeltjes er hun nestje maak-ten, en ik kon mij daarvan overtuigen toen ik, onder den boom staande, tusschen de vereeniging van twee takken het brooze bouwstuk bemerkte dat, verscholen tusschen het gebladerte, omgeven door frischheid en schaduw, daar schommelde op den adem des winds. Ik was achtereenvolgens getuige van de teedere