60 CONSTANCE CHORLEY.
Op eenen toon, dien zij trachtte eenigzins gestreng te doen klinken uit vrees dat haar echtgenoot haar vóór zoude zijn, sprak jufvrouw STANDISH. “Huil niet meisje, maar spreek liever, en vertel ons hoe het komt dat gij op deze wijze ver van uw huis zwerft. Vindt hij het niet verschrikkelijk? en dan uw kleine teêre broeder ook, Heer beware me! Kom vertel ons alles, waar ge van daan komt en waar ge henen hadt willen gaan.”
De wijze waarop jufvrouw STANDISH drukte op het woord had willen verschrikte CONSTANCE zeer; het was als of haar gezegd werd dat wat hare plannen ook geweest waren, zij ze moest laten varen. Maar het meest beangstigde haar de vraag, waar zij van daan kwam?
Had KRIS haar nog niet verraden? Ach als hij haar vriend wilde zijn, zonder in haar geheim te dringen, met hoeveel moed en hoop ging zij dan de toekomst tegen. Nog eens stond zij overeind, zag met betraande oogen doch onbevreesd jufvrouw STANDISH in het gelaat en sprak zoo eenvoudig en met zooveel ernstige opregtheid, dat geen harer hoorders aan de waarheid harer woorden twijfelde, behalve de landheer die nog nooit iets geloofd had waaraan hij eerst getwijfeld had.
“Waarlijk jufvrouw, ik vraag u nederig excuus dat wij zoo op uwe steê gekomen zijn, want ik weet dat dit genoeg is om u kwaad van ons te doen denken; maar ik hoop dat u mij gelooven zult als ik u verzeker dat wij niets verkeerds gedaan hebben. wij komen ver van hier, en moeten nog een heel eind verder; den vorigen avond ontstal men ons al ons geld, en wij kwamen hier zoo laat dat alles gesloten was, wij konden ner- gens meer onderkomen dan in uwe schuur.”
“Waar gaat gij henen?” vroeg HUMPHREY terwijl hij haar met zijne grijze oogen streng aanzag.
“Wij gaan naar onze tante Mijnheer!”
“Waar wonen uwe ouders?”
CONSTANCE aarzelde, want KRIS zag haar aan; zoo als zij aan DUKE gezegd had, gevoelde zij dat haar vader voor hen dood was.
Maar hoe kon zij zoo iets zeggen in de tegenwoordigheid van KRIS? Hoe zou hij begrijpen hoe veel waars er in die woorden