58 CONSTANCE CHORLEY.
De verwondering en zelfs eerbied waarmede dit gelaat hem en zijne schilderij aanzag, deden de gestrengheid en bitterheid van zijn gezigt verdwijnen en glimlagchend tot zich zelven zeggen:
“Zoo waar de Populier, meer dan niemand ter wereld op haar gelijkend.”
De Populier, de bijnaam dien men CONSTANCE om hare slanke gestalte te Lympton gegeven had, had reeds geruimen tijd uit het venster gekeken zonder KRIS of zijn werk te zien. Zij be- greep niet dat er sprake was van eenen kunstenaar noch van een kunststuk; maar zij liet haar hart zich verkwikken in eene warmte en eenen zonnegloed die zij meende dat niet voor haar waren, – de zonneschijn van een leven te aangenaam, te geluk-kig om iets meer te kunnen zijn dan een droom. En zij gevoelde het, het was een droom! DUKE juichend en gelukkig tusschen die andere kinderen; die lieve bloemen die als het ware haar gloed op haar wierpen en haar verkwikten; de bekoorlijke, uitgestrekte val-lei, die zij slechts zien kon onder en tusschen de wagens; het le-vendige blaauw van eenen Aprilhemel; neen, het kon niet an-ders dan een droom zijn. Maar op eens terwijl zij staarde op de zilverwitte wolken, die langs de blaauw lucht dreven, ontdekte zij een gezigt wiens herkenning haar hart hoorbaar deed kloppen. Hare oogen glinsterden, niet door het langzaam zich te binnen brengen van vroeger bekende trekken, maar door de verrassing en de blijdschap van zoo onverwacht in le-ven weêr te vinden hem die in een oogenblik tijds, toen zij zich als het ware reeds in de doodsvallei bevond, toen de vlam-men rondom haar woedden, en dat vurige zwaard boven haar hoofd hing, voor altijd en onuitwischbaar in haar hart eene plaats gevonden had. En lang, lang zat zij daar met dien blik die KRIS deed glimlagchen, en biddende, zoo dit dan ook een droom ware, dat zij nimmer daaruit ontwaken mogt.
Helaas, arme Populier! Nog terwijl zij mijmerde, werd de lucht op eens bedekt en dikke regendroppels vielen neder, wa-gens en paarden vervolgden hunnen weg, en versperden niet meer het ruime gezigt op de vallei die nu echter in een nevel gehuld werd. De vrouwen wierpen de boezelaars over de hoof-den, en ijlden met de kleinen huiswaarts; de jongens rolden