CONSTANCE CHORLEY. 57
“Zie toch eens die fijne vingers; hij kan de kroes naauwlijks houden, en zou niet eens een kruik kunnen dragen,” zoo riep een arme, zwartoogige kleine schelm, te hoog in eenen boom gezeten om eenigzins moeders dreigende hand te vreezen.
“En ik zeg dan,” riep een ander, je hebt nog wat vergeten. Hij gaat zoo waar drinken zonder dit op de gezondheid der vrouwen te doen; nu het is een raar paarsch, meesmuilend heer.”
“KRIS,” zeide jufvrouw STANDISH op denzelfden goedig be-moedigenden toon waarop zij tot hem over de schoenen gespro-ken had, “gij weet hoe uw oom en ik ingenomen waren met de facie van uwen man, er ging naar ons begrip niets boven want het is al leven. Maar zou er niets waars kunnen zijn in het-geen zij zeggen. Als ik u was, dat wil zeggen als de voorzienig-heid mij zulk een talent gegeven had dan zou ik op een stukje papier schrijven: Gezondheid heeren en dames! En dit reepje zou ik hem uit den mond laten komen, weet je; zoo als wij wel eens zien bij prenten die ze ophangen te Todness bij de verkiezingen. Als gij dit maar deedt dan zouden zij zeker te-vreden zijn.”
KRIS werd inwendig boos op zijne tante en op de verzamelde menigte, doch hij bleef uiterlijk even kalm als JAAP.
“Nu kom aan, waar blijft je groet,” zoo klonk het alweêr uit de boomen, “hij neemt niet eens zijn geele muts af.”
“Wel domoor, zie je dan niet dat het de zon is,” riep een ander als of hij de kunst regt wilde doen.
Weêr sprak tante: “ja waarlijk KRIS, dit is de eenigste fout, nu zie ik het, nu het licht er beter op valt; de zon komt te digt bij zijn hoofd. Als ik in uwe plaats was, zou ik deze klei-nigheid gemakkelijk verhelpen, en dan zijn zij tevreden.”
Arme KRISTOFFEL! was dit nu die ondergaande zon waaraan hij zich zoo veel moeite gegeven had, en waarover die enkele uitverkorenen die op den zolder hadden mogen komen, ver- rukt waren? En zouden allen even als zijne tante die pracht zien verwelken voor het licht? Terwijl zijne oogen rusteloos omdwaalden, ontdekten zij op eens een bleek, melankoliek, fijn gelaat rustende op eene hand, en beschenen door den gee-len glans der crocussen.