De Gracieuse 1863 | Page 63

CONSTANCE CHORLEY. 55

kers voorziene schoenen klinken op de steenen in zijn gaan naar en terugkeeren uit de stal. Met luid gejuich werd hij ont-vangen door al de toeschouwers onder en op de boomen; want niet weinig ontevredenheid en ongeduld had de door de komst der vreemde reizigers uitgestelde plaatsing van het uithangbord verwekt. JAAP bragt de ladder en plaatste haar tegen den ijze-ren stang met hetzelfde deftige en onbewogen gelaat, als waar-mede hij haar ’s middags bij de trapdeur van de schuur plaatste om zijn gewoon slaapje te gaan doen.

De verwachting was nu ten top gestegen, eene plegtige stilte heerschte er, zelfs de vogels zwegen. De timmerman in zijn winkel rustte, met de knie op de plank en de zaag er ten hal-verwege in, drie hoog beladen wagens stonden stil op den weg en wierpen eene schaduw op dit tooneel. Zelfs de oude STAN-DISH keek op van zijne lei, toen zijn neef met het bewonde-renswaardige uithangbord de ladder naderde, en jufvrouw STANDISH en LEENTJE waren zoo geheel vervuld met hetgeen zij zagen dat zij geen de minste acht sloegen op de kleine meid, die haar berigt van de gast uit de keuken kwam brengen.

JAAP alleen scheen te begrijpen dat de dagelijksche bezighe-den veel gewigtiger waren dan het nieuwe uithangbord. Hij liep steeds heen en weder met zijne volle emmers met water, om de groote paardentrog voor het huis te vullen, maar met een gezigt zoo onverschillig voor hetgeen er rondom hem voort-viel, dat jufvrouw STANDISH er ongeduldig over werd; want meende zij, dit was zoo de wijze waarop hij zijne onbeschaamd-heid en gebrek aan eerbied uitdrukte, om daarmede zijne ge-ringe belangstelling te kennen te geven in hetgeen zijne meer-deren deden. En nu, ofschoon KRIS naar de ladder ging zoo achteloos mogelijk, de hand in de zak en een deuntje fluitende, was het toch daar binnen gansch anders gesteld, en tuitten zijne ooren bij voorraad over al de vleijende woorden die hij over zijn schilderwerk zou hooren. Veel tijd had hij er aan besteed op den ledigen zolder van zijne tante, te veel illusien had hij zich over den in te oogsten lof gemaakt, om in waarheid zoo on-verschillige te zijn als hij er nu den schijn van aannam. Ofschoon dit gedrag hem in LEENTJES oog deed stijfen, daar hij daardoor