CONSTANCE CHORLEY. 53
der bidden; een spooksel vervolgde haar in hare gedachten, een woord bestierf op hare lippen, een woord van diepe ellende en van bittere schaamte: bedelaars! Ja nu waren zij bedelaars, en – had de arme DUKE den vorigen dag moeijelijk gevonden, wat zou het nu zijn? waar zou zij eene rustplaats voor hem vinden, hoe hem bewaren voor den hongerdood? En nu voor het eerst gevoelde zij om zijnentwil heimwee naar het oude huis, en werd het haar bang te moede bij den twijfel die in haar gemoed oprees of zij wèl gedaan had met hem mede te nemen. O als hij onderweg eens stierf zoo als de vink, zou zij het zich ooit vergeven, zou zij dan nog kunnen leven? Zij rigtte haar smeekend gelaat en gevouwen handen ten hemel, als om van daar hulp en ondersteuning en de nabijheid van dien Heer af te bidden, die haar, nu zij het meest Zijne help behoefde, scheen te hebben verlaten.
Het was reeds twee uur eer zij insliep, want die bergplaats was niet zoo rustig als men denken zou. Het water drupte on-ophoudelijk van het dak, de paarden trappelden in den nabij-zijnden stal, de hond rammelde gedurig met zijnen zwaren ket-ting, en de rotten galoppeerden over den zaadzolder boven haar hoofd; al deze beweging hield haar wakker tot dat de sterren begonnen te verbleeken en reeds een ander licht begon te sche-meren. Toen sliep zij in, en droomde dat zij lag in haar eigen klein bedje achter het beschot in de werkplaats thuis.
Zij had nog geen uur gerust toen het luid gekakel der kippen op het stalplein haar wakker maakte. Uitgeput door honger en vermoeidheid zag zij verwilderd om zich henen, niet kunnende begrijpen waar zij zich bevond. Toen viel haar oog op het zon-derlinge gelaat van JAAP aan de deur, en tegelijkertijd herin-nerde zij zich alles wat zij had doorgestaan, en zachtkens kreu-nende viel zij bewusteloos op de mat. Weder bijkomende was het als of zij in eene andere wereld verplaatst was. Een bed met geele crocussen was het eerste was zij zag. Men had haar op de groote linnenpers gelegd, onder het open raam in de keu-ken, en de frissche koelte die haar in het aangezigt woei bragt haar langzamerhand tot bewustzijn. Zij hoorde daar buiten lag-chen en praten; doch waar zij zich bevond was alles doodstil,