De Gracieuse 1863 | Page 60

52 CONSTANCE CHORLEY.

voorhoofd lag, - en dan naar het kleine, teêre hoofd van den ander, met wiens haar het koeltje speelde en waarop de zon hare stralen wierp zoodat dit het aanzien kreeg van gouden lokken. – Hij zag naar hen beide en naar de door de reis half versleten kleeding, en een tal van aandoeningen en gedachten las men op zijn gelaat. Hij sprak geen woord, maar nam de hand van den kleine en schudde die behoedzaam. Het kind opende een paar blaauwe doch door den slaap bezwaarde oogen, vestigde die met verbazing op den jongen man en zeide:

“STANCE zijt gij het? ik dacht dat hij mijn arm greep?”

“Wie, mijn kleine man?” vroeg KRIS vriendelijk.

De jongen antwoordde niet, maar keek naar zijne zuster die kalm en onbewegelijk als eene doode, geheel gevoelloos voor het heldere daglicht en voor de stemmen rondom haar, daar ter neder lag. Toen zag hij op eens de vreemden gezigten aan de deur en kroop van schrik ineen.

“Waar kijken zij naar” riep hij, van het hoofd tot de voe- ten sidderende uit, “is zij, is CONS–”

De uitdrukking van zijne verwilderde oogen voltooide de vraag die zijne lippen weigerden uit te spreken.

KRIS antwoordde niet, maar rigtte het meisje zachtjes op en nam haar in zijnen arm, die trilde toen hij dit deed; jufvrouw STANDISH en LEENTJE beefden toen zij het neergezonken hoofd en de stijf langs het ligchaam hangende armen zagen.

“Maak plaats,” riep hij en bragt haar als een klein kind in zijne armen rustende, in de lucht. DUKE hield zich digt bij hem, en volgde hem overal.

XVI.

Toen CONSTANCE den vorigen avond voor haar en haar kleine last eene schuilplaats zocht op de vreemde plaats waar JAAP haar vond, had haar alle kracht, alle hoop verlaten. Nadat DUKE zich in slaap geweend had, bedekte zij hem met haren omslagdoek, en keerde zich van hem af, liet de handen in den schoot vallen, en zat door de opene muur te turen naar enkele hier en daar verwijderde lichten. Zij kon niet slapen, veel min-