CONSTANCE CHORLEY. 51
dood. Het zou mij spijten dat ik hen zoo liet liggen als zij het niet zijn, maar daar bestaat zoo iets van een onderzoek van wege de politie, en meer dan eens heb ik het bijgewoond dat het verkeerde gevolgen had voor hen die zonder het geregt, gevonden dooden hadden aangeroerd. Hoe weet ik nu dat dit geene kwade gevolgen voor mij zal hebben? en nog wel gevon-den op mijn erf! Neen, neen, ik houd van den zekersten weg. Laat ze alleen, ik ga naar Todness tot regter HUFFER, en KRIS kan getuigen dat wij ze met geen vinger hebben aan-geroerd.”
“Ik wil liever gehangen worden dan zoo iets te doen!” riep KRIS. “Eene schoone geschiedenis om voor eene regtbank te verklaren dat men twee kinderen op zulk eene plaats heeft la-ten liggen, zonder te weten of zij dood of levend zijn. Laat er van komen wat wil!” en tegelijkertijd rukte hij de deur met kracht open, wierp zijn oom bijna omver, stapte over zakken en rommel heen en knielde bij de twee kleinen neder.
De zon viel door de geopende deur en hare stralen ontmoet-ten die welke door de opening in den muur binnen drongen, zoodat het geheele vertrek op eens helder verlicht werd, behalve de plaats waar de twee kinderen roerloos neder lagen. De spin-nen die van de duisternis gebruik maakten om aan hare dunne draadjes heen en weêr te zweven, verschrikten van dat licht, kropen langs onzigtbare ladders naar boven en zochten eene schuilplaats in haar weefsel in hoekjes aan het dak. De schaduw van het lange gras dat tusschen den weg en het wagenhuis welig groeide, bewoog zich grillig over de ligt gekleurde mat waarop zij rustten, en op den achtergrond van deze vreemde schilderij zag men door het gat in den muur een klein gedeelte van de vallei, met hare kronkelende zilverachtige rivier, haar jeugdig frisch lentegroen en schoone weiden, alles beschenen door eene heldere Aprilzon.
Maar KRIS lette nu niet op dit schoone tooneel, zijne ge- heele aandacht was op de vreemde reizigers gevestigd. Hij zag eerst naar de lange, regte gedaante met de zwarte, schamele jurk en het bleeke, door zorg uitgeputte doch nu wezenlooze gelaat; terwijl het korte, zwarte haar in krulletjes langs het