CONSTANCE CHORLEY.
XV.
Wij verlieten jufvrouw STANDISH, de opgeruimde kasteleinse uit “Voerlui’s rust,” terwijl zij met hare dochter LEENTJE het vreemde gedrag van den zwijgenden stalknecht gadesloeg, die vol verbazing, met geopenden mond aan de deur der bergplaats stond te kijken.
JAAP uit zich zelden door die gebaren waarmede menschen die hetzelfde gebrek als hij hebben dit gewoon zijn te doen, hij gaat eenvoudig maar zijn eigen gang; vergeet zijne meesteres hem wel eens zijn tweede ontbijt te geven, dan herinnert hij het maar niet, maar stapt regelregt naar de kast en bedient zich zelven; de vrees voor zijne vuile schoenen in de keuken bewaart haar dan weder een geruimen tijd voor diezelfde ver-geetachtigheid. Hij verwondert zich nooit over iets. De verras-sendste en vreemdste voorvallen mogen plaats grijpen in zijne nabijheid, hij neemt er geene de minste notitie van, haast zou men denken dat hij bij zijne intrede in de wereld reeds bekend gemaakt was met alles wat er gebeuren zou gedurende zijn leven. Het was juist de kennigs van dezen trek in zijn karakter die jufvrouw STANDISH toen zij hem daar zóó staan zag, deed uit-roepen: “wat scheelt den ouden gek nu?”
JAAP stond langer dan ééne minuut op dezelfde plaats, in zijne haren woelende en steeds voor zich uit starende in de zak-