BROODKRUIMELS.
II. HET VERDWENEN HUIS.
Dezelfde goddelijke kracht, die noodig was tot het scheppen der wereld is even noodig om haar te onderhouden. Want als ons horologie eens reparatie behoeft, al is het dan ook geen cylinder of anker, maar eenvoudig een oud erfstuk van onzen zaligen grootvader, omsloten door een stevigen geelkoperen of schildpadden kast, gaan wij daarmede niet naar den hoefsmid, om er een fermen slag van zijn hamer op te vragen, maar wij wenden ons tot den horologiemaker. En evenmin brengen wij den zondagsrok, wanneer die gekeerd moet worden, naar den schoenmaker of zeilmaker, maar naar den snijder of kleerma-ker of marhand tailleur. En gelijk de beste uurwerken met der tijd ons niet meer zeggen zouden hoe laat het is als de horologiemakers eens allen uitstierven, zoo kunnen wij even-zeer zeggen dat de wereld reeds lang ware te niet gegaan, zoo God ze alleen had geschapen en niet tevens onderhield tot op dezen oogenblik.
Daarboven op de mosvlakte, eene der talrijke spitsen van het Rothhaar gebergte, stond een splinternieuw huis dat de bergwerker CHRISTIAAN KRUDLER daar gebouwd had. Diezelfde man vond heir rijkelijk zijn brood, als hij maar water vond, want eigenlijk was hij een brongraver. Maar later is hij ziek geworden, niet aan eene gewone ziekte, aan eene of andere soort van koorts bij alle medici bekend, maar aan de goudkoorts en zoo is hij op een goeden dag – misschien ook des nachts om het leed van scheiden korter te maken – vertrokken met vrouw en kind, met pak en zak, naar Amerika en verder naar Californie, waar het goud zoo overvloedig is als hier het hooi. Zoo als gezegd is, huis huis was splinternieuw en hecht en ge-heel gereed, en niet ontbrak er meer aan van binnen of van buiten dan de bewoners, en de koeijen voor den stal en hare geburen de geiten, wier ruif naast den sluitboom was getim-merd, om het nachtvoeder in den stal op te nemen, nadat zij