De Gracieuse 1863 | Page 46

38 DE TWEE WITTE ROZEN.

nen van den gevangene droogen. Bovendien verzachtte Ko- ning HENDRIK volgens zijne belofte de afzondering van PERKINS: boeken, menigvuldige wandelingen op de binnenplaats van den Tower, het gezelschap van den Gouverneur deden hem den tijd minder lang vallen. Zelfs vond hij eens in zijne gevangenis de fraaije tulpen welke hij in zijn vaderland gezien en waarvan hij zoo dikwijls met verlangen gesproken had; deze oplettendheid van de zijde des Konings kwam hem buitengewoon voor en hij betuigde er zijne verwondering over aan den Gouverneur die met een geheimzinnig lachje antwoordde. Op zekeren avond werd de deur zijner cel geopend en in plaats van den Gouver-neur die hem het gewone bezoek kwam brengen, zag PERKINS het bleeke gelaat van lady KATHARINA voor zich. Zij zag hem op dezelfde treurige wijze aan welke hem bij zijne komst aan het hof getroffen had.

“Messire,” zeide zij op ernstigen toon tot hem, “ik heb van den Koning vergunning gekregen mij met u te onderhouden.”

“U te zien, mylady, is meer dan ik durfde te hopen.”

“Ik heb veel om u geleden, messire; toch zal ik u mijne ver-woeste jeugd, noch mijn bedrogen vertrouwen verwijten; gij zijt ongelukkig: ik ben dus streng gewroken! Veeleer kom ik u zeg-gen, dat mijn hart haat noch toorn tegen u voedt en dat ik u alles vergeven heb! Ik weet,” voegde zij er bij, “dat gij niet de schuldigste geweest zijt.”

Na de eerste woordne der jonge vrouw had PERKINS zijn hoofd gebogen en verstoutte zich niet het weder op te heffen: hij had zich zelven nog nooit zoo schuldig toegeschenen.

“Lord HUNTLEY wilde ons huwelijk doen verbreken,” ver-volgde KATHARINA, “doch ik heb het niet gewild; wat God vereenigd heeft, kan Hij alleen scheiden.”

De arme jood dankte zijne vrouw met een blik vol dank-baarheid.

“O, mylady,” fluisterde hij, “wat zijt gij edelmoedig.”

KATHARINA wischte een’ traan weg.

“Geloof, messire, dat de Koning medelijden heeft met uw lot, en door onderwerping zult gij er misschien in slagen zijne regtvaardigheid te ontwapenen.”