DE TWEE WITTE ROZEN. 37
HENDRIK stond een oogenblik zonde te antwoorden.
“Tusschen u en mij,” zeide hij ten laatste op trotschen toon, “bestaat het verschil van een koning tot zijn onderdaan; maar het gebeurde is de vrucht van uwe grenzelooze eerzucht. Kom, zeg mij hier in tegenwoordigheid van deze heeren en dames of gij uwe dwaze en vermetele aanspraak opgeeft.”
PERKINS boog.
“Ik doe er afstand van, Sire.”
“En gij verklaart openhartig dat gij PERKINS WARBECK zijt?”
“Daar gij het wilt, Sire, verklaar ik het.”
PERKINS sprak deze woorden op edele wijze uit, even als hij alles deed en zag vrijmoedig rond; maar hij uitte een flaauwen kreet van schaamte toen hij naast koningin ELISABETH lady KATHARINA herkende, die hem treurig aanzag.
“Hebt gij medepligtigen te noemen?”
“Niemand, Sire.”
“Het is wel,” zeide de koning. “Kapitein BROWMAN geleid uwen gevangene naar den Tower.”
Lady KATHARINA maakte eene beweging als of zij genade wilde vragen. PERKINS dankte haar met een’ nederigen blik en gaf zijn zwaard aan den Kapitein. Een uur later was hij op-gesloten in de gevangenis, wier oude muren reeds zooveel smarten hezien en zooveel klagten gehoord hadden. Zoodra hij daar gekomen was, had de Kapitein gevolgd van den Gouver-neur, hem zijn vonnis voorgelezen waarbij hij veroordeeld werd tot levenslang gevangenis, doch welke de genade des Konings aangenaam en ligt zou maken. PERKINS zuchtte diep en liet zich op eene zitbank nedervallen. Dit verschilde veel van de schitterende toekomst die hij zich voorgespiegeld had. Wroeging, wanhoop, schaamte en toorn vervulden beurtelings het hart van den gevangene; hij verwenschte STANLEY die hem als een booze geest uit zijn’ nederigen stand verheven had om hem daarna in een’ poel van jammeren neder te storten; MARGARETHA die van zijn bedrog onderright hem den weg tot de voortzetting daar-van gebaand had; zichzelven als slaaf der eerzucht.
Vele dagen verliepen onder die wroegingen en smarten; toen kwam de gewoonte met hare zacht en koude hand de tra-