36 DE TWEE WITTE ROZEN.
THARINA zelf wilde waarschuwen, antwoordde Sir ROBERT:
“Verontrust u omtrent haar niet; zij is u voorgegaan naar het hof. O, de koning heeft deze vereeniging met innigen spijt vernomen: hij acht lady KATHARINA hoog en zou haar gaarne aan zijn’ tweeden zoon Z. K. H. Prins HENDRIK verloofd hebben.”
Een rijk opgetuigd paard werd op het plein van het klooster gebragt en PERKINS met een mengsel van beleefdheid en spot-ternij aangeboden. Op het oogenblik van het vertrek zeide de jongeling op droevigen toon:
“Ik verlaat een verblijf waar het regt der vrijplaats mij be-schermde; maar hoe zal dat zijn op de plaats waar ik mij heen begeef?” En de hand over zijn voorhoofd strijkende riep hij uit: “Het noodlot worde vervuld! er gebeure wat gebeuren moet.” Vervolgens in den zadel springende verzocht hij zijnen bege-leiders hunne paarden in draf te brengen en vertrok gevolgd van Kapitein BROWMAN die hem niet uit het gezigt verloor.
De reis van het New Forest (Nieuwe woud) naar Londen had voor hem niet moeijelijks in, maar toen zij in de stad kwamen, had de arme WARBECK bespottende eerbewijzen te ver-dragen, die vernederender waren dan beleedigingen. De inwo-ners aangevuurd door zendelingen van HENDRIK die onder de menigte verspreid waren, ontvingen hem met de spottende toe-juichingen: “Lang leve de koning zonder troon! de dappere van Tameton!” Men ging zoo ver dat men hem met verwelkte witte rozen wierp; een inwoner der City bood hem zelfs eene goudpapieren kroon aan. De trots van WARBECK leed vreese-lijk; maar die trots ondersteunde hem ook om al dien bij- tenden spot te verdragen zoodat hij door de stad reeds met een kalm gelaat en eene waardige houding die zelfs op de meest verbitterden indruk maakten. Toen hij bij het paleis aankwam, wachtte de koning hem in de overdekte gaanderij op ten einde de bittere scherts van het volk te voltooijen; PERKINS groette hem op zijne bevallige, beleefde wijze:
“Sire,” zeide hij tot hem, “als ik overwinnaar geweest ware in den strijd die zoo ongelukkig voor mij eindigt, zou ik edel-moediger geweest zijn; ik zou uw ongeluk geëerbiedigd en niet geduld hebben, dat het volk met uw verdriet spotte.”