DE TWEE WITTE ROZEN. 35
ik hier heb verklaren, dan is alles vergeten; de koning schenkt u vergiffenis en geeft u vrijheid den handel uws vaders voort te zetten.”
Een hooge blos overdekte het gelaat van den jongeling.
“Sir ROBERT,” zeide hij, “stelt gij mij dat voor! . . . . o! nooit! . . . .”
“Zooals het u blieft, PERKINS,” zeide de Baron achteloos. “Geef dan uw’ degen aan Kapitein BROWMAN die reeds de de-gens van ROBERT RATCLIFFE, THOMAS CRESFEW en THOMAS AS-TROWOOD ontvangen heeft; edelen, wier hoofden gisteren op Tower-Hill gevallen zijn.”
De mond en wenkbraauwen van PERKINS trokken bijeen.
“Ik bekoor aan de zaak waaraan ik mij gewijd hebt.”
“Ja, als zij de sterkste is,” bromde CLIFFORT, “maar als men de zwakste is, kind, geeft men toe.”
“Dat hebt gij gedaan,” duwde de jood hem bitter toe.
CLIFFORT antwoordde toestemmend.
WARBECK dacht eenige oogenblikken na, vervolgens eene pen opvattende welke op een tafeltje lag, schreef hij haastig eenige regels op het papier dat de trouwelooze CLIFFORT hem over-handigde en toen hij gedaan had, gaf hij het dezen terug.
Sir ROBERT las:
“Ik wijk voor de overmagt als ik verklaar dat alles wat op dit blad geschreven staat, waar is. Deze geschiedenis van mijn voorgewend leven is niet door mij opgesteld. Men wil dat ik verklare: dat ik PERKINS WARBECK en niet RICHARD van York ben: ik doe het. Wie wil, geloove het. Ik handel hier om mijn geweten te gehoorzamen dat mij gebiedt: een’ strijd te eindigen die misschien lang zou duren en niet uitvallen ten voordeele van dengene, wiens regt op de regtmatigste gronden steunt.”
“Ik teeken met den naam welken men mij geeft
PERKINS WARBECK.”
Niettegenstaande de dubbelzinnigheid dezer regels scheen Sir ROBERT er tevreden mede. Vervolgens berigtte hij PERKINS dat hij niets te duchten had, maar hem volgen moest omdat HENDRIK VII hem wenschte te zien; en toen de jood lady KA-