34 DE TWEE WITTE ROZEN.
Perkins wilde antwoorden, maar zij legde hem het stilzwij- gen op met deze woorden: “Een vorst sterft, messire, maar vlugt niet!” Het spreekvertrek waar hij haar ontmoet had ver-latende, keerde zij terug naar de kamer welke zij bewoonde en daar versmolt al hare verontwaardiging in tranen.
V. IN DE TOWER.
Hoe hooger boom, hoe lager val. Dat ondervond PERKINS, maar hij behoorde tot de eigenzinnigen welke steeds hopen; en hoewel vlugtende, verraden zelfs door diegenen die hem mede-gesleept hadden en geen staat meer kunnende maken op een leger dat hij verlaten had, dacht hij er niet aan afstand te doen van den titel dien hij zich gewend had voortaan als den zijne te beschouwen. De kroon van Engeland lachte hem meer uit de verte toe, doch scheen hem niet onbereikbaar. STANLEY, MARGARETHA of JAKOBUS IV zouden hem helpen en hem doen zegepralen. Maar de woorden van KATHARINA klonken hem droevig in het oor. Waarom heeft zij mij PERKINS WARBECK genoemd? Zou er iemand geklapt hebben?
Zoo peinsde PERKINS toen de Prior van het klooster hem berigtte dat verscheidene gewapende lieden hem wenschten te spreken: “Zij dragen eene witte roos aan hunnen helm,” voegde de monnik er bij. PERKINS draalde niet hen te ontvan-gen: de onvoorzigtige vergat dat HENDRIK VII na zijn huwelijk met de jonge ELIZABETH de eenige afstammelinge van York, zijne soldaten deze bloem als teeken van vereeniging had laten aannemen.
Hij snelde zijne gewaande aanhangers te gemoet.
“O,” riep hij uit toen hij Sir ROBERT CLIFFORT ontdekte, “op u rekende ik niet meer. Op mijn woord gij zijt een echt edelman, dat zal ik mij herinneren.”
ROBERT CLIFFORT schudde het hoofd.
“Ik kom u over ernstige zaken spreken,” zeide hij; “leggen wij dus alle veinzerij af. Gij zijt thans voor iedereen wat gij altijd had moeten zijn: PERKINS WARBECK, de zoon van een gemeenen jood te Brugge. Wilt hij dat op het geschrift ’t welk