De Gracieuse 1863 | Page 41

DE TWEE WITTE ROZEN. 33

“O,” zeide de koning, “zouden zij dat durven!”

“Ja, U. M. dewijl PERKINS zich reeds RICHARD IV van York laat noemen.”

HENDRIK maakte eene verontwaardigde beweging.

“Die vermetele!” zeide hij, “en zijn er die hem herkennen?”

“Sire, de gelijkenis van den jood op EDUARD IV is sprekend; dit bedriegt het volk.”

“Nog gevaarlijker,” zeide de koning. O, hij moet zich over-geven. CLIFFORT breng dit bevel aan kapitein BROWMAN: dat hij de verraders welke gij mij genoemd hebt, onverschillig waar ook, gevangen neme. Wat STANLEY betreft hem heb ik in mijne magt. Kom aan, sir ROBERT, gij hebt uwe vrienden verraden, toon nu ten minste dat gij uwen koning goed kunt dienen.”

Sir CLIFFORT vertrok.

Drie dagen daarna waren alle oproerige edelen gevangen ge-nomen, naar Londen gevoerd, gevonnisd en drie hunner ver-oordeeld om onthoofd te worden. Dit voorbeeld werkte afschrik-kend voor anderen. Van toen af werd PERKINS WARBECK, die tot het uiterste gedrongen en weinig met de oorlogskunst bekend was, minder geducht. Hij werd genoodzaakt het beleg van Exe-ter op te heffen en daar hij niet alles te gelijk wilde afstaan, trok hij aan het hoofd van 7000 man naar Tameton terug. HENDRIK VII wachtte hem daar. Zoodra hij PERKINS zonder raadsman, zonder belangrijken steun zag, verliet hij Londen en zelf het bevel over zijne troepen op zich nemende, bood hij hem een slag aan. Maar daar PERKINS duizelde bij de gedachte van zich tegenover den man te bevinden, dien hij onttroonen wilde, verliet de ongelukkige gelukzoeker zijne soldaten, vlugtte in het geheim heen en verzocht eene schuilplaats in het klooster Beau-fort in het New Forest (Nieuwe Woud.) KATHARINA GORDON bevond zich daar reeds sedert eenige dagen; – toen PERKINS zich van den uitslag zeker achtte, had hij haar laten komen ten einde haar in de zegepraal welke hij verwachtte te doen deelen. Toen zij haren gemaal bleek, neerslagtig en smeekende zag aan-komen, kwam al haar adelijk bloed in beweging en zij riep uit:

“O, gij zijt geen koning! . . . neen, gij zijt niemand anders dan PERKINS WARBECK!”