De Gracieuse 1863 | Page 40

32 DE TWEE WITTE ROZEN.

door werk en zorg dan door den last van zijne veertig jaren gebogen was, opheffende, maakte een dreigend gebaar. Hij ging voor eene tafel vol papieren zitten en hervatte zijne gestaakte lectuur toen het voorhangsel der deur werd opgeligt. Op dit gerucht wendde HENDRIK zich barsch om.

“Wat wilt gij,” vroeg hij den officier die bij de deur bleef staan, het voorhangsel vasthoudende alsof hij iemand moest bin-nenlaten.

“Sir ROBERT CLIFFORT vraagt gehoor bij Uwe Majesteit.”

“Laat hem binnentreden!” zeide de koning driftig.

Er lag veel opgesloten in de diepe, slaafsche, eenigzins wijfel-achtige buiging van den baronet en in de trotsche, spotzieke houding van HENDRIK. Deze nam het eerst het woord.

“Sir ROBERT,” zeide hij, “gisteren zijt gij mij de mededeeling van eene zamenzwering komen aanbieden; heden wil ik naar u luisteren. Maar daar elke dienst haar loon waard is, kunt gij voor u zelven gerust zijn, ik schenk u genade.”

Sir ROBERT boog zich nog dieper dan de eerste maal en ver-haalde met eene bevende stem (want men wordt nooit ongestraft een verrader) hetgeen wij reeds weten van het bezoek van STAN-LEY bij den jood tot de aankomst van PERKINS in Engeland.

“Dat alles weet ik, Sir ROBERT,” zeide de koning; mijne af-gezanten in Vlaanderen, Frankrijk en Schotland, houden mij op de hoogte; maar er zijn eenigen onder de zamenzweerders die zich zoo goed verbergen dat men hen niet kent. Die namen moet ik weten.”

Sir CLIFFORT draalde.

“Als U. M. mij belooft genade te zullen schenken,” zeide hij.

“Voorwaarden! Ik verbind mij tot niets; ik wil eene nood-zakelijke gestrengheid, eene onpartijdige regtvaardigheid: den schuldigen straf; degenen die mij dienen belooning.”

Sir CLIFFORT draalde niet langer.

“FITZWALTER, MONTFORT, WILLIAM DANHERY, ROBERT RAT-CLIFFE, THOMAS CRESFEW en THOMAS ASTROWOOD hebben veer-tien dagen geleden den gewaanden hertog van York ontvangen. Heden zoudt gij hen te vergeeft in hunne huizen zoeken; zij zijn aan zijne zijde om Exeter te belegeren.”