DE TWEE WITTE ROZEN. 31
van haren vader en verscheidene Bourgondische heeren, den uitslag der onderneming afwachten.
IV. HENDRIK VII VAN TUDOR.
Eenige dagen na het vertrek van den hertog van York be- vond HENDRIK TUDOR zich alleen in zijn kabinet in het paleis te Londen. Hij liep haastig heen en weêr en zijn edel gelaat was door een dubbel gevoel van smart en toorn te zamen ge-trokken:
“Die lafaards, die ondankbaren!” riep hij ten laatste uit, “had ik dan nog niet genoeg voor hen gedaan? Wat begeerden zij meer? Titels, rijkdommen, zelfs vriendschap, alles heb ik hun geschonken en nu wenden zij zich tegen mij, zij die mij geroepen hadden, die mij met zooveel geestdrift tot hun koning benoemden! . . . O, de kroon is wel zwaar! . . . Maar wat komt haar gewigt er op aan; mylords! gij hebt haar op mijn hoofd geplaatst derhalve behoort zij mij wettig toe: ik zal haar bewa-ren en dewijl hij strijden wilt, zullen wij strijden. Hier heb ik alle draden der zamenzwering; slechts enkele namen ontbreken mij en die moet ik weten, want overal sluipen verraders rond en dan zult gij beven; in plaats van den edelmoedigen vorst die den laffen SIMNEL genade schonk, zult gij een verbitterd en wrekend vorst vinden. PERKINS WARBECK,” zeide hij op iedere lettergreep van dien naam drukkenden, “PERKINS WARBECK! . . . O, hij is de schuldigste niet! een arm kind welks eerzucht men door vleijerij verlokt heeft! hij zal zijnen misslag duur betalen; dat zult gij, mevrouw de hertogin van Bourgondië, die om uwen echtgenoot treurende, zamenzweringen smeedt; gij, lord STANLEY, mijn getrouwe kamerheer, die nadat hij mij de kroon gebragt hebt, aan het bloedige hoofd van RICHARD III ont- rukt, haar nogmaals op een ander hoofd wilt plaatsen; gij, trouwelooze Vlamingen die mij dien jongen gek zendt om mijn koningrijk in vuur en vlam te zetten; gij, KAREL VIII en JAKOBUS IV, welke dien gelukzoeker de hand reiktet en hem ““mijn neef”” noemt!” En HENDRIK zijne gestalte, die eerder