30 DE TWEE WITTE ROZEN.
“Kom, KATHARINA, kom bij mij,” zeide de koning op vrien-delijken toon, “en word niet zoo bleek, want gij gelijkt meer op eene hangende lelie dan op eene witte roos; toon liever uw lagchend gelaat dat mij tweemaal ’s jaars in mijn paleis Holy-rood komt vermaken. Ik houd veel van u, lieve, en om u dat te toonen, wil ik dat gij gelukkig zijt. Zie dezen edelman die naast mij zit eens aan, hij is mijn neef en bondgenoot, RICHARD IV van York, de eenige wettige koning van Engeland: hem schenk ik uwe hand en gij zult koningin worden; wat zegt gij daar- van, mijn kind?”
Maar KATHARINA zeide er niets van; de woorden van den man uit het park weerklonken in hare ooren; zij zag noch den hertog van York, noch koning JAKOBUS aan en zweeg. Zij boog haar hoofd en legde de hand op haar hart dat hevig klopte. Lord HUNTLEY keek misnoegd voor zich uit; RICHARD scheen onrustig; JACOBUS glimlachte.
“Lady KATHARINA is zedig en beschroomd zoo als eener jonge dame past,” zeide hij. “Geef mij uwe hand, lieve, opdat ik haar in die van mijn’ neef legge en ik het geluk moge hebben zelf de beide rozen te verloven.”
KATHARINA aarzelde, maar op een blik haar door haren vader toegeworpen, stak zij hare klamme hand toe en JAKOBUS legde deze in die van PERKINS WARBECK. Den volgenden dag beves-tigde de kapelaan van het kasteel deze verlooving en eene maand daarna werden zij, in tegenwoordigheid van het geheele hof te Edinburg, in den echt vereenigd. KATHARINA had hare vrees eenigzins vergeten te midden der feesten welke deze plegtigheid opvolgden. Zij vroeg zich menigmaal af, of zij niet de speelbal geweest was eener begoocheling: haar echtgenoot was zoo edel, zoo grootmoedig; hij was de vriend en beschermeling van zoo-veel gekroonde hoofden; hoe kon hij een bedrieger zijn? Maar toen zij op zekeren dag vernam dat de hertog van York met een leger, hem door Schotland, Ierland en Bourgondië geleverd een’ inval in Engeland zou beproeven en HENDRIK TUDOR te ont-troonen, scheen zij de stem van HALI-BEN te hooren roepen: “Wee! wee!” en zji begon op nieuw te vreezen. Tot aan de grenzen moest zij RICHARD vergezellen en daar, onder de hoede