28 DE TWEE WITTE ROZEN.
afgeweerd onder het mompelen van eenige onverstaanbare woor-den en de windhond, die gewoonlijk zoo waakzaam was, bleef met hangenden staart achteraf. KATHARINA echter die ten halve in hare vlugt weerhouden was, zag den man met wantrouwen-den blik aan.
“Lady KATHARINA,” zeide hij tot haar naar zijn tulband grijpende om haar te groeten, “lady KATHARINA kent gij mij niet?”
Het meisje schudde met het hoofd.
“Het is waar: gij waart nog zoo jong toen ik uwe moeder hier op deze zelfde plaats kwam berigten dat haar een groot ongeluk bedreigde.”
KATHARINA maakte een verschrikt gebaar.
“En een maand later waart gij wees, mylady; uwe moeder was gestorven aan eene wonde welke zij op de jagt door een val van haar paard gekregen had. Ik ken uw geslacht reeds lang en acht het mijn pligt het te waarschuwen als er een ge- vaar op handen is. Wee degene die niet naar mij luistert.”
De onschuldige KATHARINA verbleekte zigtbaar. “Wie zijt gij?” zeide zij.
“Dat komt er weinig op aan! Als de eik door den bliksem getroffen wordt, slingert het klimop zich elders; en als het huis HUNTLEY uitsterft zonder erfgenaam na te laten, zal de oude HALI-BEN zijne kennis naar een ander land overbrengen en daar zijn leven eindigen.”
“HALI-BEN!” herhaalde KATHARINA verschrikt, “de beruchte geestenbezweerder!”
“Lady KATHARINA,” hernam de man op een flaauwen en somberen toon die het kind van schrik deed verstijven, “lady KATHARINA, de bedrieger komt; hij zal u zeggen dat hij een vorst en edele is: geloof him niet; leg uwe onschuldige hand niet in de zijne welke door baatzucht geleid wordt; er kleeft eene smet op de witte roos van zijn schild, de smet van verraad en logen. Dochter van HUNTLEY word niet de echtgenoot van den bedrieger, of wee uwer! wee! wee!”
KATHARINA drukte de hand voor hare oogen om het ake- lige visioen dat haar beangstigde te verdrijven; toen zij daarop