DE TWEE WITTE ROZEN. 27
en sloeg volstrekt geen acht op de vrolijke sprongen van mijn-heer Yoland. En wel had zij reden om te peinzen. Den vorigen dag had een bode haar een’ brief van haren vader ter hand gesteld waarin Lord HUNTLEY haar zonder omslag berigtte: “dat haar edele peet, Koning JAKOBUS IV, die haar reeds lang had willen uithuwelijken het oog gevestigd had op een doorluch-tig edele en dat zij zich den volgenden dag moest gereed maken om den Koning en zijn’ beschermeling te ontvangen.” Dit be- rigt had KATHARINA onaangenaam verrast; zij had nog nooit aan een huwelijk gedacht en bij de gedachte aan deze vereeni-ging welke zoo kort op handen was en met een’ man, wiens naam zij zelfs niet kende, ondervond zij een gevoel van tegen-zin en afkeer. “Waarom moet ik in het huwelijk treden,” mompelde zij; “was ik hier niet gelukkig? . . . en wat nog meer is: ik ben nog slechts vijftien jaar oud; zou het over twee of drie jaar nog niet vroeg genoeg geweest zijn daaraan te den- ken? . . .” En voor het eerst zuchtte lady KATHARINA, doch het denkbeeld om zich tegen haren vader te verzetten kwam zelfs niet bij haar op, hetzij dat gehoorzaamheid te vast in haar ge-worteld was, hetzij dat zij niettegenstaande haren eenvoud be-greep dat als Lord HUNTLEY een goed vader was, hij nog beter hoveling zou zijn en liever zijn geheele geslacht zou opofferen dan zich tegen eene der geringste grillen van zijn vorst te ver-zetten. Zij zette hare wandeling voort en trad gejaagd over het jonge gras dat hier en daar met bloempjes prijkte, die zich vrolijk en bevallig in de koesterende stralen der zon oprigtten, toen een ligt geritsel in het kreupelhout haar deed schrikken. Zij wendde zich om en zag een’ man voor zich wiens zonderling uiterlijk haar met verwondering en schrik vervulden. Zij had een’ flaauwen kreet geuit en wilde vluchten, maar de onbekende stelde haar met een eerbiedig gebaar gerust. Hij was oud; zijne grijze haren kwamen uit eene soort van geelachtigen tulband te voorschijn; hij droeg over zijn donkerkleurig wambuis een’ bon-ten gordel waarin een dolk schitterde en leunde met beide han-den op een knoestigen stok; de trouwe Yoland was knorrende naar hem toegesprongen en had zijne beide gespierde pooten hem op de schouders gelegd; maar de onbekende had hem zachtjes