XII.
Négligé-mutsje.
(Haakwerk.)
Driedraads struts-breikatoen No. 24, haaknaald No. 7.
Men zet 7 kettingsteken op en ver-bindt dezen tot eene rondte.
1ste toer. In elken steek van den op-zetoer 2 stokjes.
2de toer. 7 kettingsteken, in den tweeden steek 1 vaste steek.
3de toer. 3 kettingsteken, op de 3 middenste van de 7 kettingsteken van den vorigen toer 6 stokjes.
4de toer. 5 kettingsteken, 5 stokjes tusschen de 6 stokjes van den vori-gen toer; in dezer voege namelijk: het eerste der 5 stokjes wordt tusschen het 1ste en 2de stokje van den 3den toer gewerkt; het tweede stokje tusschen het 2de en 3de stokje van den 3den toer enz.
5de toer. 4 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten van de 3 ketting-steken van den 3den toer, zoodat deze vaste steek tevens over de 5 ketting-steken van den 4den toer gewerkt wordt; 4 kettingsteken, 4 stokjes tusschen de 5 stokjes van den vorigen toer; op dezelfde wijze als wij bij den vorigen toer beschreven hebben.
6de toer. 5 kettingsteken, 1 vaste steek op den vasten steek van den vorigen toer; 4 kettingsteken, 3 stokjes tus-schen de 4 stokjes.
7de toer. 4 kettingsteken, 1 vaste steek op den tweeden van de 4 kettingste-ken van den 5den toer; 4 kettingsteken,
1 vaste steek op den derden van de volgende 4 kettingsteken van den 5den toer; 4 kettingsteken, 2 stokjes tus-schen de 3 stokjes.
8ste toer. 5 kettingsteken, 1 vaste steek op den vasten steek van den vo-rigen toer; 5 kettingsteken, 1 vaste steek op den volgenden vasten steek; 5 ket-tingsteken, 1 stokje tusschen de 2 stokjes.
9de toer. 5 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten steek van de eerste 5 kettingsteken van den vorigen toer; * 5 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten van de volgende 5 kettingsteken *; herhaal van * tot * nog eens; 5 kettingsteken, 1 vaste steek op het stokje.
10de toer. Vaste steken.
11de toer. 7 kettingsteken, in den 7den steek gestoken 1 vaste steek.
12de toer. 3 kettingsteken, op den vierden van de 7 kettingsteken van den vorigen toer 1 vaste steek; 4 ketting-steken, in denzelfden steek 1 vaste steek; 3 kettingsteken, 6 stokjes op de drie middenste steken van de volgende 7 ket-tingsteken.
13de toer. 3 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten van de eerste 3 kettingsteken van den vorigen toer; 4 kettingsteken, 1 vaste steek in den-zelfden steek; 3 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten der volgende 3 kettingsteken (het boogje van de 4 kettingsteken alzoo overslaande); 4 ket-tingsteken, 1 vaste steek in denzelfden steek; 3 kettingsteken, 5 stokjes tus-schen de 6 stokjes.
90 HANDWERKEN EN MODES.
PRAKTISCHE LUIJERMAND.