14de toer. 3 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten van de tweede 3 kettingsteken van den vorigen toer; 4 kettingsteken, 1 vaste steek in den-zelfden steek; 3 kettingsteken, 4 stokjes tusschen de 5 stokjes.
15de toer. 3 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten van de eerste 3 kettingsteken; 4 kettingsteken, in denzelfden steek een vaste steek; 3 ket-tingsteken, 1 vaste steek op den mid-densten van de volgende 3 kettingsteken; 4 kettingsteken, 1 vaste steek in den-zelfden steek; 3 kettingsteken, 3 stokjes tusschen de 4 stokjes.
16de toer. 4 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten van de tweede 3 kettingsteken; 4 kettingsteken, 1 vaste steek in denzelfden steek; 4 kettingste-ken, 2 stokjes tusschen de 3 stokjes.
17de toer. 3 kettingsteken, 1 vaste steek op den derden kettingsteek van den vorigen toer; 4 kettingsteken, 1 vaste steek in denzelfden steek; 3 ket-tingsteken, 1 vaste steek op den twee-den kettingsteek achter het boogje; 4 kettingsteken, 1 vaste steek in denzelfden steek; 3 kettingsteken, 1 stokje tus-schen de 2 stokjes.
18de toer. 5 kettingsteken, 1 vaste steek op den middensten van de tweede 3 kettingsteken; 4 kettingsteken, 1 vaste steek in denzelfden steek; 5 kettingste-ken, 1 vaste steek op het stokje.
19de toer. 7 kettingsteken, 1 vaste steek in de opening van het boogje; 7 kettingsteken, 1 vaste steek op den vasten steek die zich boven het stokje bevindt.
20ste toer. Vaste steken.
21ste toer. 3 kettingsteken, in den vierden steek gestoken 1 vaste steek.
22ste toer. 3 kettingsteken, in elke opening 1 vaste steek.
23ste toer. 4 stokjes in elke opening. Men knipt den draad af.
24ste toer. Bij dezen toer laat men voor den nek een klein derde gedeelte der wijdte onbewerkt. De draad wordt tus-schen een bosje van 4 stokjes bevestigd; men zorge hierbij echter, dat het af-hechtsel van den vorigen toer in het midden van den nek valle. (Deze toer en ook de volgende worden heen en terug gaande gewerkt.) 3 kettingsteken, 1 vaste steek tusschen de volgende 4 stokjes.
25ste toer. 3 kettingsteken, in elke opening 1 vaste steek.
26ste toer. 4 vaste steken in elke opening. Men moet vooral zorgen, dat bij het omkeeren van de toeren geen steken worden geminderd. Bij het begin van elken toer werkt men 1 of 2 ket-tingsteken, daar de zijkanten anders intrekken.
27ste toer. 7 kettingsteken, in den achtsten steek 1 vaste steek.
De 12de tot en met den 26sten toer worden nog eens herhaald. Daarna knipt men den draad af en hecht dien van achteren in het midden van den nek weder aan. Alsdan werkt men, geheel in de rondte, eerst 1 toer stokjes, waarbij men aan de beide hoeken 3 stokjes meerdert, en vooral zorg draadt dat men aan de beide zijkanten evenveel steken opneemt; vervolgens een toer, bestaande uit 2 kettingsteken, in den derden steek gestoken 2 stokjes; en eindelijk 1 toer stokjes; waarmede het mutsje voltooid is. Bij de twee laatste toeren meerdert men ook eenige steken aan de hoeken, opdat deze vlak blijven.
HANDWERKEN EN MODES. 91